Ethiek van verantwoordelijkheid: een licht dat voor de heidenen straalt

Ik las een op en top joods boek over een universele vraag: wat is de zin van ons leven? Het enige betekenisvolle antwoord is een manier van leven, en dát is onze ‘ethiek van verantwoordelijkheid,’ zo stelt de Britse rabbijn Jonathan Sacks in zijn recent vertaalde werk Een gebroken wereld heel maken.

Typerend voor het joodse volk is de band tussen particulariteit en universaliteit. De Bijbel beweert niet dat de Israëlieten op zich beter of moreel hoogstaander zijn dan anderen. Wel zijn ze uniek, ze zijn een heilig volk omdat Gods presentie in hen bijzonder zichtbaar moet worden voor allen, daar zijn ze verantwoordelijk voor. Dat God op een dergelijke manier verantwoordelijkheid bij zijn schepselen durft te leggen, is één van de meest kenmerkende en uitdagende ideeën van het jodendom en getuigt van Gods onwrikbaar geloof in de mens. Ondanks alle verraad, blijft God zeggen: ‘Tot de grijsheid toe zal ik geduld hebben’ (Jes 46,4).

Sacks boek is doorspekt met verhalen, anekdotes, wijsheden uit de joodse traditie, en een waaier van citaten. Hoewel de auteur moeilijke thema’s  aansnijdt, slaagt hij er wonderwel in om het boek ‘zo eenvoudig en leesbaar mogelijk’ te houden. ‘Ik heb dit boek niet alleen voor joden geschreven’, zegt hij, het moet ook gelden ‘als een joodse stem in de gedachtewisseling van de mensheid.’ Hij wil daaraan de wijsheid toevoegen van een traditie ‘zoals die liefdevol van generatie op generatie is doorgegeven’ als een ‘geschenk van het verleden aan de toekomst.’

De samenleving

‘De boodschap van de Bijbel aan de politiek van het hedendaagse Westen is dat het niet voldoende is om een staat te hebben. Er is ook een samenleving nodig – d.w.z. de saamhorigheid die voortkomt uit het besef dat wij evenzeer buren zijn als vreemdelingen, dat we plichten hebben ten aanzien van elkaar.’ We kunnen daarvoor in de leer gaan bij het joodse volk, dat erin slaagde om zelfs ten tijde van de ballingschap bijeengehouden te blijven door de onzichtbare draden van wederzijdse verantwoordelijkheid. Ze konden dat omdat de rabbijnen op basis van de oude Bijbelse voorschriften voor de agrarische samenleving gedragsregels uitwerkten voor recht (misjpat), algemeen geldende regels die een fundamentele vrijheid garanderen, en gerechtigheid (tsedaka), waarbij wie meer heeft dan nodig, geacht wordt van die overvloed te delen. Universeler uitgedrukt zorgt ‘de God van iedereen en van de eeuwigheid dat wij aan iedereen en aan de eeuwigheid denken’ en eigenbelang en gewin op korte termijn overwinnen.

Daarnaast leert het jodendom ons dat een samenleving om tot bloei te komen verbindende liefde nodig heeft. De Bijbel spreekt van liefde (chesed) en ontferming (rachamiem), in één modern woord: zorg. Die zorg omvat gestes die vaak weinig of niets kosten, maar kost tegelijk meer, ‘omdat het tijd en aandacht, wezenlijke edelmoedigheid vraagt, de gave van een zelf aan een zelf.’ Zo wil het joodse volk als Gods ambassadeurs ook omgaan met niet-joden. De rabbijnen hebben het over de wegen van de vrede (darchee sjalom). Sacks omschrijft het kort als: ‘Streven naar vrede niet door militaire overwinning maar door daden van vriendelijkheid.’ Dat is het hoogst bereikbare in onze onverloste wereld.

De wereld heel maken

Met het besef dat de wereld herstel nodig heeft, komen we bij een andere karakteristiek van het joodse denken. ‘Het jodendom is geen religie die ons met de wereld verzoent.’ In tegenstelling tot het christendom, lijkt Sacks daar telkens nauwelijks fluisterend bij te zeggen; daar kan ik moeilijk mee instemmen. Ook het christendom onderschrijft het Bijbelse ‘protest tegen de wereld zoals die is, in naam van de wereld zoals die nog niet is maar zou moeten zijn.’ De wereld kan van het jodendom echter leren om niet te blijven hangen bij een Goddelijk visioen. Zoals Sacks terecht opmerkt, kan wie de Bijbelse verhalen goed leest, daarin een evolutie ontdekken van bevrijdende handelingen uitgevoerd door God ter wille van mensen naar handelingen uitgevoerd door mensen ter wille van God. En daar moeten we komen. God wil van ons geen jihadstrijders maken. Hij wil dat wij naar menselijk recht streven. Daar heeft Hij ons het recht en de plicht toe gegeven.

Karaktervorming

Een buitenstaander zal het jodendom wellicht spontaan associëren met wetten en voorschriften. Dat is niet onjuist maar, merkt Sacks op, ‘wij volgen God niet alleen na door wat we doen maar ook door hoe we worden als mens.’ Het is de bedoeling dat we door wat we doen deugdzame mensen worden, ‘zoals wij een taal leren door te spreken of een spel door te spelen’. Het doel van de wet ligt verder dan de wet. Daarom heeft het jodendom ook een heel rijke verhalende traditie, waarin ‘vormende gebeurtenissen’ omschreven worden die de geloofsvaders en ten slotte het joodse volk maakten tot wat het is. De manier waarop die rolmodellen in Bijbelverhalen tot verantwoordelijkheid geroepen worden, leert ons veel. God roept hen persoonlijk bij hun naam. En het antwoord is: ‘Hier ben ik’ (hinneni). De basis van verantwoordelijkheid is dus ‘luisteren – naar mensen die ziek, eenzaam, thuisloos, verwaarloosd en buitengesloten zijn, mensen wier stem niet wordt gehoord; of naar de uitdagingen waarop niet is ingegaan, het probleem dat niet is opgelost, de dingen die gedaan moeten worden maar ongedaan blijven.

‘Eén daad kan een wereld van verschil maken. Eén ogenblik kan een leven rechtvaardigen.’

Joodse verhalen gaan in het algemeen over gewone mensen. In de joodse volkstraditie kan de wereld staande blijven dankzij de 36 verborgen rechtvaardigen, die dat ook van zichzelf niet weten. Ze achten zichzelf of hun daden helemaal niet zo bijzonder. Dit joodse inzicht helpt ons om te zien dat de draagwijdte van onze daden zich grotendeels aan het zicht onttrekt. ‘Wij kunnen nooit echt weten hoeveel wij anderen gegeven hebben – hoe een vriendelijk woord, een attente daad, een troostend gebaar levens veranderen en nooit vergeten worden.’ Zo werkt de verlossing van kleine stappen, van één enkele daad per keer.

‘Het jodendom is de principiële verwerping van de tragiek uit naam van de hoop.’

De joodse ethiek van verantwoordelijkheid is het tegengif voor de aangeleerde hulpeloosheid van fatalistische opvattingen die onze fundamentele vrijheid weerspreken. ‘Moed wordt geboren op het moment dat we besluiten om in plaats van te klagen, persoonlijk protest aan te tekenen tegen het kwaad in de wereld door goed te doen, hoe onbeduidend ook.’ Als we dat voor ogen houden, brengt elke dag een kans met zich mee. ‘Als wij zijn waar wij zijn omdat God dat van ons verlangt, dan moet er in iedere situatie iets zijn waarvan Hij wil dat wij dat doen, een of andere daad van bevrijding waarvan Hij wil dat wij die verrichten.’

Uit de levensverhalen in Sacks’ boek blijkt dat geluk niet zozeer de afwezigheid van lijden is, ‘maar het vermogen om de gebroken disharmonieën ervan op te nemen en te veranderen in muziek die uit de donkerste regionen van de ziel een beklemmende, maar toch tegelijk humaniserende schoonheid weet te redden.’ Denk aan de worsteling van Jakob met de engel. ‘Geloof is de weigering om het op te geven voordat je lijden hebt omgezet in een zegen.’

 Jonathan Sacks, Een gebroken wereld heel maken. Verantwoordelijkheid in tijden van crisis, Skandalon, Vught, 2016, 352 blz.

Advertenties

Licht in de kamer van de innerlijkheid

Wat gebeurt hier eigenlijk? Dat vroeg ik me vorige week af in de uitverkochte grote zaal van het Concertgebouw Brugge. Meer dan duizend mensen zijn bijeengekomen om een avond lang aandachtig te luisteren. De omstandigheden zijn zo goed als ideaal. De akoestiek van de zaal behoort tot de beste van Europa, de zitjes zijn comfortabel, en het gedempte licht helpt om een en al oor te worden. Het zou interessant zijn na te gaan met welk verlangen de mensen naar het concert waren gekomen. Ongetwijfeld zouden velen antwoorden dat ze willen geraakt en aangedaan worden. Waardoor dan? Door de schoonheid van muziek, die alvast dit voor heeft op andere kunstvormen, dat ze je op sleeptouw kan nemen, dat je moeilijk anders kan dan haar te volgen in haar verloop doorheen de tijd.

Aangedaan worden door schoonheid, bezocht worden door iets waarvan de oorsprong niet in jezelf ligt: het is kennelijk een ervaring waar vele mensen naar op zoek zijn. Aangesproken worden, niet alleen in je verstand, maar ook in je affectiviteit en innerlijkheid, het kan een helende ervaring zijn. Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat sommige kerkvaders en theologen een verband hebben vermoed tussen de ervaring van schoonheid en de Godservaring. Denk maar aan wat Origenes (2e eeuw) schrijft over de geestelijke zintuigen van de mens, die ontvankelijk maken voor wat achter het zichtbare en hoorbare ligt. Of aan de uit de kluiten gewassen traktaten van theologen als Hans Urs Von Balthasar en Bernard Lonergan (20e eeuw), die het verband tussen theologie en esthetiek systematisch hebben doorgedacht.

Wat er ook van zij, naar muziek luisteren valoriseert op een unieke manier de affectieve en esthetische kant van onze gewaarwording. Het woord “affectief” betekent overigens letterlijk: in staan om aangedaan te zijn. Is die affectiviteit niet ook een belangrijk speelveld van de Godservaring? Is het niet ook een wezenlijke ontvangst-plek voor God, die erop uit is zich te laten kennen? Is de menselijke ontvankelijkheid voor schoonheid niet ook het werkterrein van God? En klinkt in de ervaring van schoonheid niet ook Gods lokroep, de ultieme Schoonheid?

Op die die manier beleefd wordt luisteren naar muziek of zelf musiceren zoveel meer dan een aangenaam tijdverdrijf. Het wordt een oefenschool in ontvankelijkheid, in zich laten raken door wat gegeven wordt. Het doet me denken aan de boodschap van de engel aan Maria. Ook zij werd aangedaan door een overrompelende Schoonheid die onweerstaanbaar binnenviel in de kleine huiskamer in Nazareth. Schoonheid die ons de kamer van onze innerlijkheid op een volkomen nieuwe manier doet bewonen, het kan.

Jan Christiaens

[gepubliceerd in Tertio]

Mooi is wat voortkomt uit innerlijke noodzakelijkheid – Wassily Kandinsky

Wat is schoonheid? Een stevige aanzet om daarover na te denken, geeft het recent hertaalde manifest uit 1911 Het geestelijke in de kunst, van beeldend kunstenaar en schrijver Wassily Kandinsky (1866-1944). In dit referentiewerk voor het ontluiken van de abstracte kunst begin twintigste eeuw stelt hij: ‘De schoonheid van kleur en vorm is geen toereikend doel in de kunst, de bewering van zuivere estheten of van naturalisten ten spijt.’ Neen, echte kunst heeft ‘een opwekkende, profetische kracht.’

De ware norm voor schoonheid is innerlijk. De vraag is wat er in het kunstwerk veruitwendigd wordt. ‘Mooi is wat voortkomt uit innerlijke zielkundige noodzakelijkheid. Mooi is wat innerlijk mooi is.’ De schilderkunst kan op dat vlak veel leren van de muziek. Die is er gewoonlijk niet op gericht ‘om de verschijnselen van de natuur uit te beelden, maar om het zielenleven van de kunstenaar uit te drukken en om een specifiek leven van de muzikale tonen te creëren.’

Welkome pauze in het bruisen van ons innerlijk

En dat kan nu eenmaal niet meer met de vormen van vroegere tijden. ‘Wellicht met afgunst, met droeve sympathie kunnen we de werken van Mozart tot ons nemen. Ze zijn voor ons een welkome pauze in het bruisen van ons innerlijk leven, een troostbeeld en een hoop, maar we horen ze niettemin als klanken uit een andere, vergane tijd, die ons in feite vreemd is. Het gevecht van de tinten, het verloren evenwicht, vallende “principes,” onverwachte slagen op de trom, grote vragen, schijnbaar doelloos streven, schijnbaar verscheurde drang en weemoed, verbroken kettingen en banden, die van verschillende componenten één geheel maken, tegenstellingen en contradicties – dat is onze harmonie.’

Die noden van de eigen tijd vergeten, en gemakkelijk te verteren werken maken is l’art pour l’art, kunst om de kunst. Zoiets is een ‘van zijn doel gespeende, materialistische kunst.’ Gemaakt omdat ze goed verkoopt. Het is volgens Kandinsky zielloze rommel die de essentie van de kunst verraadt door niet te erkennen dat ze deel uitmaakt en zelfs een belangrijke motor is van ‘het geestelijk leven.’

Schoonheid zegt: kom aan het licht

Het is immers de schoonheid zelf – ‘het zuiver en eeuwig kunstzinnige’ – die doorheen alle tijden, doorheen alle stijlen en evoluties, telkens weer als een innerlijke roep naar vormen vraagt om aan het licht te komen. Het is een soort ‘objectief element’ dat zich bedient van het ‘subjectieve element.’ Dat wil zeggen: de stijl van een persoon en de stijl van een tijd.

De kunstenaar is dus de ‘priester van het “mooie,”’ de profeet van de schoonheid, die ‘ziet en toont’, hoewel hij in zijn tijd nauwelijks begrepen wordt. Dat is ‘vaak een zwaar kruis voor hem’. Toch kan hij niet anders. Het is een ‘hogere taak’ die hij niet kan ontlopen.

Ga simpelweg tegenover een schilderij staan

De toeschouwer daarentegen ontloopt vaak heel lichtzinnig de geestelijke essentie van de schilderkunst door ‘niet simpelweg tegenover een schilderij te kunnen gaan staan’. Hij wil er met alle geweld dingen in zien. ‘Door de uiterlijke middelen verblind, kan hij met zijn geestelijk oog niet zien wat door deze middelen leeft.’ Deze misplaatste aandacht voor de middelen die gebruikt worden, zorgt ervoor dat we de inhoud van het kunstwerk uit het oog verliezen; het effect dat het kunstwerk teweeg wil brengen in de ziel.

Kandinsky vergelijkt het met de absurde situatie waarin je je bij een interessant gesprek met iemand meer zou gaan interesseren in de letters en woorden, en de manier waarop die geproduceerd worden door in en uit te ademen enzovoorts, dan in de inhoud van het gesprek.

Drie middelen om invloed op de ziel uit te oefenen

Alle uiterlijke schoonheid moet afgewogen worden aan die innerlijke norm van schoonheid die ‘zich onherroepelijk wil uitdrukken.’ Daarom zijn ‘alle middelen heilig,’ als ze maar ‘innerlijk noodzakelijk zijn.’ De schilder staan specifiek drie soorten middelen ter beschikking waarmee hij de gezochte ‘directe invloed kan uitoefenen op de ziel’: de kleur, de vorm en het object. Die middelen zijn de toetsen. ‘Het oog is de hamer. De ziel is de piano met zijn vele snaren. De kunstenaar is de hand die door beroering van deze of gene toets de menselijke ziel doelmatig laat vibreren.

Kan je je er weinig bij voorstellen? Kandinsky doet een prikkelende poging om het onder woorden te brengen in zijn schets van een fascinerende kleurentheorie, gebaseerd op vier grote tegenstellingen. 1. Het warme geel tegenover het koude blauw. 2. Het lichte wit tegenover het donkere zwart. 3. Het gedoofde groen, waarin het actieve blauw en geel elkaar neutraliseren, tegenover het innerlijk levendige rood. 4. Dat op zijn beurt door geel tot oranje opgewarmd kan worden en door blauw tot violet kan worden afgekoeld.

Boek verdient een inleiding

Hij brengt uitvoerig onder woorden hoe kleuren klanken zijn, smaken die bij de minste inmenging van aard veranderen. Hoewel die woorden natuurlijk ‘alleen maar wenken blijven, tamelijk uiterlijke tekens van kleuren.’ Heel mooie wenken wel, als je weet dat oranje voor Kandinsky klinkt ‘als een middelgrote kerkklok die oproept voor het angelus of als een krachtige altstem, als een largo zingende altviool.’

Het werk is prachtig uitgegeven. Precies wat je zou verwachten voor de vertaling van een basiswerkje over kunst door Kandinsky, met eigen originele lithografieën verfraaid. De gezwollen taal van rond de eeuwwisseling en de spiritistische opvattingen moet je wel op de koop toe nemen. In dat opzicht was een behoorlijke inleiding geen overbodige luxe geweest. Of het nawoord had meer op de gewone lezer bedacht moeten zijn.


Wassily Kandinsky, Het geestelijke in de kunst, Vantilt, Nijmegen 2017, 152 blz, € 19,95.

Pieter Van Petegem

[Gepubliceerd in IgnisWebmagazine]

 

Hoor, daar is mijn geliefde!

De laatste maanden luister ik geregeld naar een fascinerend werk van de Franse componist Olivier Messiaen (1908-1992), Trois petites liturgies de la Présence Divine (1944). In deze drie stukken voor vrouwenkoor, piano en ensemble op tekst van Messiaen zelf bezingt de componist Gods aanwezigheid, met tekst en muziek die doordrenkt zijn van de beeldtaal van het Bijbelse boek Hooglied. Het vrouwenkoor – de bruid uit het Hooglied – brengt in een warmhartige, mystieke klanktaal het verlangen naar vereniging met de Bruidegom tot uitdrukking.

In de christelijke traditie heeft het Hooglied verschillende interpretaties gekregen. Vele auteurs lezen het als het liefdesverhaal van Christus, de bruidegom, met zijn bruid, de Kerk. In Messiaens tekst gaat het om de vereniging van de menselijke ziel met Jezus. Het is alsof het de luisteraar van Trois petites liturgies gegund wordt aanwezig te zijn bij de intieme tweespraak van de bruid – de menselijke ziel – met die zoete innerlijke Gast van de ziel, zoals een oud Pinkstergezang Hem noemt (dulcis hospes animae).

In dat zoeken van de bruid naar haar geliefde speelt het gehoor een doorslaggevende rol. “Hoor, daar is mijn geliefde”, zo begint het tweede gedicht uit het Hooglied (Hl 2,8). Aan het woord is de bruid, die haar bruidegom in de verte hoort aankomen. In zijn commentaar op het Hooglied schrijft Benoît Standaert dat er letterlijk staat: “Een stem! Mijn geliefde!” (hebr: qol dodi). Aan zijn stem wordt de geliefde herkend, net zoals Maria Magdalena de Verrezene herkende op de paasmorgen. Het gehoor wordt hier een orgaan van de Godsontmoeting, vooral wanneer het een stem verneemt die van elders komt en die het hart opent en gevoelig maakt. Zo begint overigens ook de Regel voor monniken van Benedictus: Luister, mijn zoon. Ausculteer, staat er in het Latijn, zoals een dokter naar het hart van zijn patiënt luistert: aandachtig, met rustig gespannen aandacht, het hoofd lichtjes geneigd.

Ik vind het prikkelend en uitdagend om met het vers uit het Hooglied in het achterhoofd naar onze rijke traditie van religieuze muziek te kijken. Is Gods Geest daar ook niet aan het werk? Spreekt God niet onophoudelijk zijn eerste en laatste en enige Woord, Jezus Christus? En doet Hij dat niet ook via de muziek, op zoek als Hij is naar opmerkzame luisteraars, waakzaam genoeg om de stem van de Geliefde te vernemen en Zijn spoor te volgen? Ik geloof van wel. De Geliefde trekt een klankspoor in onze muziekgeschiedenis, al van de vroegste christelijke gezangen, over de meesterwerken van Bach tot bij moderne grootmeesters als Olivier Messiaen en Arvo Pärt. Luister maar naar Messiaens Trois petites liturgies, ga er enige tijd mee op weg, met een open oor en hart, en het zal misschien ook jouw ervaring worden: “Hoor, daar is mijn Geliefde!”

Jan Christiaens

[gepubliceerd in Tertio]