God is dood. Wij zijn vrij

Begin 2018 is er een nieuwe Nederlandse vertaling verschenen van De vrolijke wetenschap, het boek waarin Nietzsche de dolle mens de grootste heldendaad van het mensengeslacht laat rondbazuinen: wij hebben God gedood!

Nietzsche’s waardering voor deze daad is even groot als zijn viscerale afkeer van wat hij de zieke wil van de gelovigen noemt. ‘Het geloof wordt altijd het meest begeerd, is het dringendste nodig waar het aan wil ontbreekt,’ schrijft hij in aforisme 347. ‘Dat wil zeggen, hoe minder iemand weet te bevelen, des te vuriger verlangt hij naar iemand die beveelt.’

Dat de gelovigen als kuddedieren hun eigen wil aan zo’n despoot onderwerpen, tot daar aan toe. Maar die despoot fnuikt ook de sterken, die willen leven met ‘een lust en kracht van zelfbeschikking, een vrijheid van de wil waarbij een geest elk geloof, elke wens naar zekerheid vaarwel zegt.’ Gods dood bevrijdt nu precies de hele mensheid van die beknottende slavenmoraal waarvan Hij het sluitstuk is.

Echter, constateert de dolle man, de bevrijding is nog niet doorgedrongen. ‘Ik kom te vroeg,’ zucht hij.

Zou meer dan 130 jaar later de tijd gekomen zijn? Ik vraag het me af. De grote argwaan voor religie is gemeengoed geworden, en ‘God is dood’ een gezellige boutade. Maar onze ontvoogding heeft niet de vrijheid gebracht die Nietzsche voor ogen had.

Is er dan geen vrijheid mogelijk? Thomas a Kempis, de grootmeester van de moderne devotie, meent van wel. Hij schrijft in De navolging van Christus: ‘Je moet er ijverig naar streven dat je overal en in iedere handeling of uiterlijke bezigheid innerlijk vrij bent en jezelf in de hand houdt, en dat jij alles onder controle hebt, niet omgekeerd. Dan ben je heer en stuurman van je daden, geen knecht of huurling, maar eerder een vrijgeboren en waarachtige Hebreeër, die overgaat tot het erfdeel en de vrijheid van de kinderen Gods.’ (IV, 38)

Thomas a Kempis maakt duidelijk dat je om voluit gelovig te leven niet willoos moet worden. De overgave in het geestelijke leven is geen troonsafstand, maar een wilsdaad. De verstrengeling van wilskracht en overgave klinkt ook door in de woorden van Jezus bij Johannes:  ‘Niemand neemt Mij mijn leven af [letterlijk: mijn ziel, mijn ‘ik’], Ik geef het uit eigen wil.’ (Joh 10,18)

Een goede christen is geen slappe dweil, maar laat zijn ‘ik’ los uit eigen wil. En dat doe je in iedere handeling of bezigheid, in het bijzonder in kleine dingen. Want ‘het is geen kleinigheid zichzelf ook in kleinigheden los te laten.’ (IV, 39) Wanneer je jezelf in handen neemt, om bijvoorbeeld tijd te maken voor het gebed, of om je driftige reacties niet de vrije loop te laten en wilskrachtig op de tong bijt, maak je jezelf tot stuurman van je daden. En dan ga je over van Egypte, het land der slaven, naar het Beloofde Land van de vrijheid. Daar ben je mans genoeg om te zeggen: ‘ Uw wil geschiede.’

 

Pieter Van Petegem

Advertenties

Ik houd niet van de vasten

Ik houd niet van de vasten. Het ruikt naar muffe kerken en klerikale wetjes. Dat gedoe met vlees derven en dat gemekker over snoep en al wat ik achterwege zou moeten laten. Alsof de lieve Jezus een moer geeft om mijn lijn. Ach neen, natuurlijk, zo mag je het niet begrijpen. Je kan ook hedendaags vasten. Dan mag alles wel, maar kies je gewoon zelf een vastenpuntje. In deze periode neem ik minder de auto en ga ik met de fiets naar het werk. Een mooi plan voorwaar, zeker nu het weer toch beter wordt… Of die smartphoneverzakers, Facebooksluiters, tv-vermijders en andere moderne meeheulers. En altijd weer met dat ingenieuze tellen van de dagen: het zijn er 40, want de zondagen doen niet mee. Jezus zat immers 40 dagen in de woestijn. Ja, en hij sloeg de zondagen hoogst waarschijnlijk ook over. Neen, ik houd niet van de vasten. Maar ach, wat maakt het uit. Toch geen mens meer die het nog doet, vasten. Want vasten is voor kwezelige sfeerbedervers en conservatieve regelnichten. Net iets voor die celibatairen uit Rome om hun makke schapen mee te belasten.

Neen, ik houd echt niet van de vasten. Dus doe ik het maar in het verborgene. Je weet wel: scheur je hart, niet je kleed. En omdat mijn hart vaak pas goed scheurt als ik een scheur in mijn kleed zie, scheur ik mijn kleed. Dat ik een beetje honger heb, hoeft niemand te zien. Maar zelf voel ik wel dat ik gerust een broodje zou verdragen om de honger te vergeten. Of neen, dat is het nog niet helemaal. Want op dagen dat ik druk in de weer ben, durf ik ook al eens vergeten te eten. Helemaal niet zo erg. Het is ’s avonds dat het me opvalt dat ik iets moet sussen. Wat een onvoldaan gevoel als ik de avond niet kan sluiten met een zak chips en een glas bier. Toch het summum van gezelligheid om knabbelend een serietje te kijken en de dag te laten wegebben. Proost! Nu moet ik wel toegeven: als je van dat voedsel eet en van dat water drinkt, krijg je weer honger en dorst. Het is iedere avond hetzelfde liedje. En nu merk ik de laatste tijd iets anders. Dat ik mezelf een grens stel en me dingen ontzeg geeft me een andere verzadiging. Een hongerige verzadiging, dat wel. Maar ik leef anders. En ik bid anders. Waarom is het mij vroeger nooit opgevallen dat er een maat is aan de dingen? We zouden het haast vergeten, maar in het paradijs is er een boom om niet van te eten. En verdorie, wat groeit mijn honger! Alles ziet er des te zoeter en smakelijker uit. Maar ik wil de honger niet meer stillen. Ik eet minder, tot net onder de grens van de verzadiging. Dat doe ik niet omdat het een regeltje is, maar omdat ik van de honger honger heb gekregen naar Hem. Ik heb een honger ontdekt waar ik meer honger naar wil krijgen. En telkens als mijn maag grolt, is het een gebed dat meer wil bidden. Wat een heilige tijd. Neen, ik zal niet afslanken door het vasten. Vette spijs heb ik gegeten. Want een mens leeft niet van brood alleen, maar van alles wat komt uit de mond van de Heer.

 

2017, Pieter Van Petegem

Het Woord is vlees geworden

“In de jongste dagen is het Woord van God, bekleed met een lichaam dat Hij van Maria ontvangen had, in deze wereld binnengetreden.” Het zijn de woorden van Origenes. We zijn in de 3e eeuw na Christus en hij richt zich tot het Godsvolk naar aanleiding van een lezing uit het boek Leviticus. Wat moeten we met zo’n boek, vraagt Origenes zich retorisch af. De beschrijvingen van joodse rituelen en offers, handelingen die de priester en het volk daarbij moeten verrichten, het subtiele onderscheid tussen reine en onreine dieren, gedetailleerde voedselvoorschriften, bepalingen over vrouwelijke onreinheid, regels over de behandeling van huidziekten ­– voor ons is het lezen van al die verordeningen toch nutteloos geworden?

Het lichaam van de Schrift

Laat je niet misleiden door de schijn, zegt Origenes. Denk aan wat er ‘in de jongste dagen’ gebeurde, hoe ‘het Woord van God deze wereld binnentrad, bekleed met een lichaam dat Hij van Maria had ontvangen’. Iedereen kon dat lichaam van Jezus zien. Maar het was niet iedereen gegeven ook zijn goddelijkheid te ontwaren. Net zo gaat het met het literaire corpus waarin Gods Woord onze wereld is binnengetreden via de gewijde schrijvers.

Als we lezen in het boek Leviticus, als we ons verbaasd afvragen wat bepalingen en wetten van een vervlogen tijd voor ons betekenen, mogen we ons niet blindstaren op de buitenkant van de tekst. Want zoals het Woord in Jezus’ menselijkheid verborgen was door “de sluier van het lichaam”, zo is het in de Bijbel verborgen door “de sluier van de letter”.

Met de Schrift hebben we een akker in handen gekregen waarin een schat verborgen ligt. Iedereen kan de Bijbel lezen, maar “zalig zijn de ogen die de goddelijke Geest zien, die verborgen is achter de sluier van de letter. Gelukkig zij die de zuivere oren van hun innerlijk daarnaar doen luisteren.”

Geestelijk voedsel

De woorden van de Schrift zijn geestelijk voedsel voor ons. Dat is wat we lezen bij de profeet Ezechiël, die de boekrol moest eten, en het smaakte hem als honing.

Maar ook het mens geworden Woord ligt natuurlijk niet toevallig in een kribbe. De os en de ezel weten wel dat in deze voederbak het ware voedsel ligt. Dat voedsel krijgen we nog steeds voorgeschoteld in de eucharistie, wanneer we het lichaam van Christus ontvangen. En voor dat lichaam van Christus geldt opnieuw wat geldt voor ‘het lichaam dat Hij van Maria ontvangen had’: iedereen kan het zien, iedereen kan het aanraken, maar zalig de mond die het tot zich neemt als geestelijk voedsel.

Kan het ons verbazen dat de communie en het lezen van de Schrift zo innig verbonden zijn? “U die regelmatig de goddelijke mysteriën bijwoont,” merkt Origenes elders op, “u weet met welke eerbiedige zorg u het Lichaam van de Heer, wanneer het aan u wordt uitgedeeld, bewaart, uit vrees dat er een kruimel valt en een deel van de gewijde schat verloren gaat. Net zo moet u er zorg voor dragen, wanneer u goddelijke woorden ontvangt en in u opneemt, dat u ze niet aan uw handen laat ontsnappen en ze verliest.”

Pieter Van Petegem

[gepubliceerd in Tertio]

Oorlogskunst

11 november 2018 nadert, het einde van vier jaar herdenking van de grote oorlog. Het viel me op dat de kunsten, en dan vooral de muziek, een voorname rol spelen in alle herdenkingsactiviteiten. Maar kan je de wreedheid van de oorlog wel tot onderwerp maken van kunst? Kan je in een comfortabele, verwarmde concertzaal waarachtig de slachtoffers van oorlog gedenken? Is kunst over de oorlog niet een soort sublimatie, die probeert nog enige schoonheid te persen uit wat in alle opzichten lelijk is? Het beroemde woord van de filosoof Theodor Adorno, dat poëzie schrijven nà Auschwitz een barbaarse daad is (Prismen, 1949), lijkt een ernstige verdachtmaking te leggen op alle oorlogskunst.

En toch heeft het een diepe zin, denk ik, om een artistieke uitdrukking te geven aan de afschuw voor oorlog en aan het mededogen met de slachtoffers. De Britse componist Benjamin Britten deed het op sublieme wijze met een grootschalig requiem voor alle oorlogsslachtoffers, War Requiem. Het ging in première in 1962, bij de heropening van de St Michael’s Cathedral in Coventry. De middeleeuwse kathedraal was in de Tweede Wereldoorlog tot puin herschapen door een aanval van de Duitse Luftwaffe. Vlak naast de ruïnes verrees een modern gebouw, zodat al wie de kathedraal binnengaat, door de ruïnes van de vorige kerk moet stappen.

Wat Brittens War Requiem zo geloofwaardig maakt, is dat hij de Latijnse requiemmis op gezette tijden onderbreekt voor de confronterende oorlogspoëzie van loopgravendichter Wilfred Owen. In het Lacrimosa bijvoorbeeld – een hartverscheurende weeklacht van de sopraan – ruimt de Latijnse tekst vier keer plaats voor de verzen van Owen. “Move him into the sun / Gently its touch awoke him once”, zo luiden de eerste versregels. Leg hem in de zon, onze gesneuvelde kompaan. Misschien zullen haar warme stralen hem weer tot leven wekken, zoals toen hij nog een kind was en de zon hem elke morgen wakker maakte. Owens poëzie zoomt in op het verschrikkelijke lot van de enkeling, op de soldaat met een naam en een gezicht, die daar levenloos in de verse sneeuw ligt. De Latijnse mistekt neemt al deze ellende op in een tijd en ruimte overstijgende bede en klacht. Britten rafelt de sacrosancte tekst wel in flarden uiteen, maar enkel om er de oorlogspoëzie als een levend, nog warm lichaam tussen te kunnen schuiven.

Zo laat hij de luisteraar heen en weer pendelen tussen de met wierookgeur omgeven teksten van de dodenmis en Owens rauwe poëzie die nog naar de modder van de loopgraven ruikt. Is dat geen waarachtige manier om oorlogsslachtoffers te eren? Door naar die twee stemmen te luisteren – de stem van de liturgie en de stem van de soldaat aan het front. Twee stemmen die nergens vloeken met elkaar, maar een ruimte openmaken waarin iets waarachtigs gezegd kan worden.

Jan Christiaens

[gepubliceerd in Tertio]

Hunkeren naar schoonheid

“Jeunes compositeurs, si vous avez la foi, marchez de l’avant et donnez-nous des oeuvres religieuses vivantes et agissantes!” Met deze woorden richtte de jonge Franse componist Olivier Messiaen (1908-1992) zich in de jaren 1930 tot zijn collega’s. Zijn dringende oproep voor een levendige en werkzame religieuze muziek kwam niet uit de lucht gevallen. Nadat de Eerste Wereldoorlog het oude Europa krachtig door elkaar had geschud, deed zich op vele domeinen de nood aan vernieuwing voelen. Zo ook op het vlak van geloofsbeleving, liturgie en religieuze muziek. De versuikerde devotiemuziek die op het eind van de 19de eeuw nog vele harten kon beroeren, voldeed niet langer. Als geen ander voelde Messiaen messcherp de nood aan een eigentijdse klassieke muziektaal. “Zing voor de Heer een nieuw lied”, zo klinkt het ook in Psalm 98.

Is het geen tijd om Messiaens oproep opnieuw te lanceren aan de jonge Vlaamse componisten van nu? Het lijkt me alleszins een gunstige tijd. Nog nooit was muziek zo beschikbaar en alomtegenwoordig als nu. Ze maakt integraal deel uit van de leefomgeving van vooral jongere mensen. Bovendien speelt ze een niet te onderschatten rol in het uitbouwen van hun identiteit. Je bent wat je beluistert, zo lijkt het wel. En niet te vergeten: muziek is een van de krachtigste mood managers die ik ken. Ook op dit vlak zijn jonge mensen ervaringsdeskundigen. Ze voelen feilloos aan welk soort muziek wat ordening en rust kan brengen in hun innerlijk leven. Met groot vertrouwen geven ze zich over aan de transformerende kracht van muziek.

Ligt hier geen gigantisch braakliggend terrein voor een soort muziekpastoraal? Het is toch denkbaar dat componisten met kennis van zaken en met een hart voor de Kerk de genoemde kwaliteiten van de muziek inzetten ten goede. Dat in hun muziek de lokroep van de schoonheid klinkt, op een manier die het mensenhart raakt en verwondt. Dat er bij luisteraars iets innerlijk in beweging wordt gezet, waardoor ze op zoek gaan. Dat oor en hart gaandeweg gevoelig worden gemaakt voor Jezus, Gods schoonheid in persoon. Dat er vertrouwdheid groeit met Hem, al luisterend.

Misschien lijkt dit wel hoog gegrepen. Misschien verwacht ik teveel van de muziek. Kan zijn. Ik zie alleen dat ze altijd al een stevige bondgenoot is geweest van de Kerk, in en buiten de liturgie. De dialoog tussen het Evangelie en de cultuur is dan ook geen bijkomstigheid, maar vloeit voort uit een innerlijke noodzaak van het Evangelie. Dat wil immers cultuur worden, incarneren, zichtbaar en hoorbaar worden. Net die beweging is in de 20ste eeuw onder druk komen te staan. Daarmee dreigt de artistieke stem in de geloofsverkondiging in verdrukking te komen. Daarom: jonge componisten, als je het geloof hebt, treed dan naar voor, en geef onze tijd de schoonheid waar ze zo naar hunkert!

Jan Christiaens

[gepubliceerd in Tertio]

 

Spreekt Jezus Nederlands?

‘Toen de Heer neerdaalde om de stad en de toren die de mensen bouwden, in ogenschouw te nemen, zei Hij: “Nu zijn ze één volk en spreken zij allen dezelfde taal. (…) Laten wij neerdalen en verwarring brengen in hun taal, zodat de een niet meer verstaat wat de ander zegt.”’  (eerste lezing op de vooravond van Pinksteren)

Vorig jaar, Pinksteren. We zitten in de mis. We, dat is ons gezin. Met drie kinderen – lagere school en een kleuter. Niet zo rustig dus, zoals gewoonlijk. Bij het Onzevader moet de jongste zo nodig iets vragen. Ik probeer hem vriendelijk tot stilte te manen. Maar het is hem schijnbaar te belangrijk. Ik neig me voorover. Hij: ‘Papa, kan Jezus ons horen?’ Het is al een tijdje een thema. Die vreemde gewoonte van papa om te bidden. En wie hoort dat dan? ‘Dat denk ik wel, jongen.’ – Een kleine stilte, zijn ene oog lichtjes toegeknepen. En dan verwonderd: ‘Spreekt Jezus onze taal?’ Ook die taal is een thema. Het buurjongentje is half Franstalig. Er is dus ‘zijn’ taal en ‘onze’ taal. Maar ik moet toegeven dat de vraag me perplex deed staan. Daar had ik nog nooit zo over nagedacht. ‘Neen, Jezus spreekt volgens mij geen Nederlands.’ En toch spreken wij Hem vrolijk aan in onze moedertaal.

Ik was ondertussen op zoek naar een antwoord. Zeggen dat Jezus Aramees sprak, was niet echt een hulp. Dat dreef de paradox eerder op de spits. Ik denk dat ik stuntelend iets zei over de taal van ons hart en dat Jezus wel verstaat wat wij bedoelen, omdat hij ons hart begrijpt.

Het lijkt ons vanzelfsprekend dat God in alle talen lof kan gezongen worden. Maar als ik er met de ogen van mijn zoontje naar keek, viel me pas goed op hoe vreemd het is hier Nederlands te horen, daar dan weer te psalmodiëren in het Frans, en er in de liederen zelfs Latijn, Engels, Spaans en Zuid-Afrikaans klinkt. En dat is dan allemaal voor God – die ons hart begrijpt.

Volgens mij is het voor de jongen een mysterie gebleven. ‘Daarom noemt men die stad Babel want de Heer heeft daar verwarring gebracht in de taal van alle mensen.’

Ik was daarentegen in de bovenkamer met de leerlingen, waar de Geest zich in tongen verdeelde. Nooit heb ik zo goed de wonderlijke toegang begrepen die Pinksteren ons tot God verleent. Dat er een Geest is om de taalbarrière te overwinnen. Dat er één taal is, één communicatiemiddel tussen God en mens. Dat de Geest ons God doet verstaan, en ons de woorden geeft om tot God te spreken, met het zacht murmelen van de Geest in al onze menswoorden, zoals de tweede lezing zei: ‘Wij weten niet eens hoe wij behoren te bidden, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. En Hij die de harten doorgrondt, weet waar de Geest op zint, want Hij pleit voor de heiligen naar Gods bedoeling.’ De Geest helpt ons uit de Babylonische verwarring. Diep ontroerd heb ik het Veni Creator Spiritus meegezongen: ‘O taal waarin wij God verstaan, wij heffen onze lofzang aan.’

Pieter Bob Van Petegem

[gepubliceerd in Tertio]

Van Passie naar Pasen

Het valt me elk jaar weer op hoe het concertleven na Pasen plots stilvalt. En dat terwijl je in de veertigdagentijd bij wijze van spreken bijna struikelt over de concerten met passiemuziek. Hoeveel koren wagen zich in de Goede Week niet aan een uitvoering van een van Bachs passies? Blijkbaar beantwoordt het ruime aanbod aan een nood van vele mensen om zich het lijdensverhaal jaarlijks opnieuw toe te eigenen. Maar na Pasen wordt het merkwaardig stil: nergens zijn er paas- of pinksterconcerten te vinden. Nochtans zou je net in de paastijd – die overigens tien dagen langer duurt dan de veertigdagentijd – feestelijke muziek verwachten.

Dit merkwaardige verschijnsel heeft ongetwijfeld te maken met de aangrijpende intensiteit van de meeste passiemuziek. Denk maar aan de Mattheüspassie van Bach: je raakt er nooit op uitgekeken. De lijdende Jezus, van God en iedereen verlaten, oefent een vreemde aantrekkingskracht uit op de luisteraar. Zo te zien moet elke generatie opnieuw in het reine komen met wat er toen op Golgotha is gebeurd. Met de verrezen en verheerlijkte Jezus weten we echter niet zo goed raad, althans wanneer we afgaan op het culturele aanbod in de paastijd. De delicate, maar wezenlijke band die passie met Pasen verbindt, lijkt in onze muzikale cultuur wel doorgeknipt.

Net daarom springt het des te meer in het oog en het oor wanneer een muzikale passie wél uitzicht biedt op de verrijzenis. Dat is het geval in de Lucaspassie van de Schotse componist James MacMillan (°1959). Op Goede Vrijdag werd het werk nog uitgevoerd op het Brusselse Klarafestival, onder leiding van de componist zelf. De toegankelijke, waarachtige muziek staat helemaal ten dienste van de expressieve voordracht van de tekst, hoofdstuk 22 en 23 uit het Lucasevangelie. Opmerkelijk is dat MacMillan het lijdensverhaal laat volgen door een Postlude die de luisteraar meeneemt voorbij de kruisdood.

Hoe volkomen anders klinkt de muzikale taal in dat naspel! De verhitte dramatiek van het lijdensverhaal heeft hier plaatsgemaakt voor een majesteitelijke sereniteit. Daarin komt de verrezen Jezus aan het woord: “Waarom zijt ge ontsteld en waarom komt er twijfel op in uw hart?” (Lc 24,28) De vraag lijkt wel gesteld aan de luisteraar, die net het relaas van Jezus’ veroordeling en kruisdood over zich heeft laten komen. De dode Jezus werd ten slotte in het graf gelegd, en daarmee lijkt alles voorbij. Amen en uit. Net op dat punt knoopt de Postlude aan. Voorzichtig maar geloofwaardig maakt MacMillan een nieuw perspectief hoorbaar. Dat doet hij via harmonische omzwervingen, waarmee hij de luisteraar probeert mee te lokken van passie naar Pasen. Niet dwingend, maar vriendelijk wenkend. Zoals de Verrezen Heer zelf.

Jan Christiaens

[gepubliceerd in Tertio]

Sterk mij met druivenkoeken

‘Sterk mij met druivenkoeken,
verkwik mij met kweeappels,
want ik ben ziek van liefde.’

Deze aantrekkelijke, maar raadselachtige woorden komen uit het Hooglied (2,5), het Bijbelse liefdesgedicht waarin de traditie een zang heeft gelezen op de liefde tussen God en de gelovige ziel (of het Godsvolk). Het meisje zwijmelt en roept uit: ‘Sterk mij, verkwik mij.’ Maar wat voor opkikkertje ze nodig heeft, is niet precies duidelijk. Want de woorden ‘druivenkoeken’, ‘verkwik’ en ‘kweeappels’ komen slechts enkele malen voor in de Bijbel en zijn daarom moeilijk te verstaan.

Nochtans had waarschijnlijk niets haar noden juister kunnen omschrijven. Want wat is de oorzaak van haar innerlijke zwakte? Wat bedoelt ze als ze zegt: ‘Ik ben ziek van liefde?’ Niets anders dan wat de psalmist zegt: ‘Zoals een hert smacht naar water, zo smacht mijn ziel naar U, mijn God. Mijn ziel dorst naar God.’ (Ps 42,2-3)

Waar ‘ziel’ staat, zou je ook met ‘keel’ kunnen vertalen. Want de ziel is voor het Bijbelse denken geen ijle substantie, ze is veeleer het méér dan lichaam in het lichaam. Vandaar al die lichamelijke beelden. Het meisje zucht dus: ‘Mijn keel heeft dorst naar God.’ Haar geestelijke honger manifesteert zich in haar lichaam, gaat door haar keel. Ze verlangt ‘druivenkoeken’ en ‘kweeappels’. Tastbare dingen, die je evenwel niet sluitend kan bevatten, omdat ze niet louter materieel zijn, maar materieel én geestelijk.

Waarom was ik zo geprikkeld door deze verzen? Omdat ze mij de zin van het vasten helpen verstaan. Ze vertellen dat zich in het lichamelijke iets geestelijks manifesteert. Met een boutade: mijn keel is mijn ziel. Door de lichamelijke hunkering die ik voel als ik mij dingen ontzeg, als ik mijn maag niet volledig vul, kom ik ook terug de diepste hunkering van mijn ziel op het spoor.

Zo wordt wie vast tot in zijn lichaam toe gevoelig voor Gods aansporing in het boek Jesaja (55,1-2):

‘Kom, wie dorst heeft, hier is water…
kom, koop voedsel zonder geld.
Luister aandachtig naar Mij,
en je zult eten wat goed is.’

Ja, dát zijn de ‘verkwikkende’ ‘kweeappels’ en ‘druivenkoeken’: ze zijn wat ‘goed’ is.

Een opmerking. Er zijn in de Bijbel slechts twee andere vindplaatsen van het woord ‘druivenkoeken’. Wanneer David de Ark van het verbond plechtig overbrengt naar de door hem veroverde stad Jeruzalem vindt een offerdienst plaats, worden alle aanwezigen gezegend en krijgen ze, voor ze naar huis gaan, voedsel mee, waaronder zo’n druivenkoek – als een soort materiële uitloper van de liturgie. Gods bittere woorden tot de profeet Hosea hebben het echter over zijn volk dat zich tot andere goden keert en ‘verzot is op druivenkoeken.’ Zijn die druivenkoeken dan hoogwaardig voedsel of junkfood? Kennelijk kunnen ze beide zijn. Het is de relatie met God die in elk concreet geval hun natuur bepaalt.

Vasten wil niet zeggen dat er me niets door de keel moet gaan, integendeel. Wel dat mijn ziel meer in mijn keel moet liggen. Maar daarvoor helpt het dat er minder door gaat.

Pieter Van Petegem

[Gepubliceerd in Tertio]

Ondraaglijke grauwheid

Luisteraars die zich geen houding weten te geven. Mensen die met de handpalmen hun oren dichtstoppen. Enkelingen die merkelijk verbolgen de zaal verlaten. En ondertussen het geluid van een piano waarop genadeloos hard wordt ingebeukt, een houten kist die met twee hamers bespeeld wordt, en acht contrabassen die sporen van klank uitslijpen. Ik maakte het mee tijdens een concert in de abdijkerk van Keizersberg in Leuven, waar werk van de Russische componiste Galina Oestvolskaja (1919-2006) werd opgevoerd.

Oestvolskaja, de stem uit Leningrad, epicentrum van de communistische terreur, schreef muziek van een onmenselijke intensiteit. In besprekingen van haar werk zijn omschrijvingen als hardvochtig, meedogenloos en brutaal schering en inslag. Dat geldt zeker voor haar Compositie nr. 2, bijgenaamd “Dies Irae” (1972-73), voor piano, houten kist en acht contrabassen. Het was voor mij het hoogtepunt van dat concert in Leuven. Twintig minuten muziek, die onverbiddelijk gaten brandt in je ziel. Probeer het je maar voor te stellen: de pianist speelt met de handpalmen en vuisten uiterst dissonante klankclusters, in een bezwerend ritme dat geëchood wordt door de gespierde hamerslagen en de norse strijkersklanken. Boven de muzikanten hangt het kruisbeeld van de abdijkerk, waar je als luisteraar moeilijk naast kan kijken.

Hoe confronterend en ontregelend die elementaire brutaliteit van haar muziek ook is, toch heb ik ervaren dat er ook een diepe spirituele kracht in schuilt. Want ik bleef geboeid luisteren, tegen beter weten in. Meer nog, de muziek oefende een haast magnetische aantrekkingskracht op mij uit. Misschien wel vooral door wat ze onmiskenbaar niét doet: ze wil helemaal niet mooi zijn, daar bestaat niet de minste twijfel over. Evenmin wil ze in het gevlei komen bij de luisteraar, of hem iets laten ervaren wat hij eigenlijk al weet of bezit. Neen, onverschrokken nam deze muziek mij mee naar de diepten van menselijke pijn en ellende. Ik hoorde er de meest afgrondelijke uitingen van pijn, lijden en troosteloosheid in, genadeloos inbeukend op het leven van mensen.

Tijdens de beluistering van “Dies Irae” ging mijn blik af en toe naar het kruisbeeld boven de muzikanten. De stilte ervan stond in fel contrast met wat ondertussen klonk in de abdijkerk. En toch wierp het kruisbeeld een onverwacht licht op deze donkere muziek. Gaandeweg begon ik anders te luisteren. Want is er niet Iemand uit liefde afgedaald in de grauwheid waar Oestvolskaja’s “Dies Irae” op haast ondraaglijke wijze uitdrukking aan geeft?

Jan Christiaens

Gepubliceerd in Tertio, november 2017

Ethiek van verantwoordelijkheid: een licht dat voor de heidenen straalt

Ik las een op en top joods boek over een universele vraag: wat is de zin van ons leven? Het enige betekenisvolle antwoord is een manier van leven, en dát is onze ‘ethiek van verantwoordelijkheid,’ zo stelt de Britse rabbijn Jonathan Sacks in zijn recent vertaalde werk Een gebroken wereld heel maken.

Typerend voor het joodse volk is de band tussen particulariteit en universaliteit. De Bijbel beweert niet dat de Israëlieten op zich beter of moreel hoogstaander zijn dan anderen. Wel zijn ze uniek, ze zijn een heilig volk omdat Gods presentie in hen bijzonder zichtbaar moet worden voor allen, daar zijn ze verantwoordelijk voor. Dat God op een dergelijke manier verantwoordelijkheid bij zijn schepselen durft te leggen, is één van de meest kenmerkende en uitdagende ideeën van het jodendom en getuigt van Gods onwrikbaar geloof in de mens. Ondanks alle verraad, blijft God zeggen: ‘Tot de grijsheid toe zal ik geduld hebben’ (Jes 46,4).

Sacks boek is doorspekt met verhalen, anekdotes, wijsheden uit de joodse traditie, en een waaier van citaten. Hoewel de auteur moeilijke thema’s  aansnijdt, slaagt hij er wonderwel in om het boek ‘zo eenvoudig en leesbaar mogelijk’ te houden. ‘Ik heb dit boek niet alleen voor joden geschreven’, zegt hij, het moet ook gelden ‘als een joodse stem in de gedachtewisseling van de mensheid.’ Hij wil daaraan de wijsheid toevoegen van een traditie ‘zoals die liefdevol van generatie op generatie is doorgegeven’ als een ‘geschenk van het verleden aan de toekomst.’

De samenleving

‘De boodschap van de Bijbel aan de politiek van het hedendaagse Westen is dat het niet voldoende is om een staat te hebben. Er is ook een samenleving nodig – d.w.z. de saamhorigheid die voortkomt uit het besef dat wij evenzeer buren zijn als vreemdelingen, dat we plichten hebben ten aanzien van elkaar.’ We kunnen daarvoor in de leer gaan bij het joodse volk, dat erin slaagde om zelfs ten tijde van de ballingschap bijeengehouden te blijven door de onzichtbare draden van wederzijdse verantwoordelijkheid. Ze konden dat omdat de rabbijnen op basis van de oude Bijbelse voorschriften voor de agrarische samenleving gedragsregels uitwerkten voor recht (misjpat), algemeen geldende regels die een fundamentele vrijheid garanderen, en gerechtigheid (tsedaka), waarbij wie meer heeft dan nodig, geacht wordt van die overvloed te delen. Universeler uitgedrukt zorgt ‘de God van iedereen en van de eeuwigheid dat wij aan iedereen en aan de eeuwigheid denken’ en eigenbelang en gewin op korte termijn overwinnen.

Daarnaast leert het jodendom ons dat een samenleving om tot bloei te komen verbindende liefde nodig heeft. De Bijbel spreekt van liefde (chesed) en ontferming (rachamiem), in één modern woord: zorg. Die zorg omvat gestes die vaak weinig of niets kosten, maar kost tegelijk meer, ‘omdat het tijd en aandacht, wezenlijke edelmoedigheid vraagt, de gave van een zelf aan een zelf.’ Zo wil het joodse volk als Gods ambassadeurs ook omgaan met niet-joden. De rabbijnen hebben het over de wegen van de vrede (darchee sjalom). Sacks omschrijft het kort als: ‘Streven naar vrede niet door militaire overwinning maar door daden van vriendelijkheid.’ Dat is het hoogst bereikbare in onze onverloste wereld.

De wereld heel maken

Met het besef dat de wereld herstel nodig heeft, komen we bij een andere karakteristiek van het joodse denken. ‘Het jodendom is geen religie die ons met de wereld verzoent.’ In tegenstelling tot het christendom, lijkt Sacks daar telkens nauwelijks fluisterend bij te zeggen; daar kan ik moeilijk mee instemmen. Ook het christendom onderschrijft het Bijbelse ‘protest tegen de wereld zoals die is, in naam van de wereld zoals die nog niet is maar zou moeten zijn.’ De wereld kan van het jodendom echter leren om niet te blijven hangen bij een Goddelijk visioen. Zoals Sacks terecht opmerkt, kan wie de Bijbelse verhalen goed leest, daarin een evolutie ontdekken van bevrijdende handelingen uitgevoerd door God ter wille van mensen naar handelingen uitgevoerd door mensen ter wille van God. En daar moeten we komen. God wil van ons geen jihadstrijders maken. Hij wil dat wij naar menselijk recht streven. Daar heeft Hij ons het recht en de plicht toe gegeven.

Karaktervorming

Een buitenstaander zal het jodendom wellicht spontaan associëren met wetten en voorschriften. Dat is niet onjuist maar, merkt Sacks op, ‘wij volgen God niet alleen na door wat we doen maar ook door hoe we worden als mens.’ Het is de bedoeling dat we door wat we doen deugdzame mensen worden, ‘zoals wij een taal leren door te spreken of een spel door te spelen’. Het doel van de wet ligt verder dan de wet. Daarom heeft het jodendom ook een heel rijke verhalende traditie, waarin ‘vormende gebeurtenissen’ omschreven worden die de geloofsvaders en ten slotte het joodse volk maakten tot wat het is. De manier waarop die rolmodellen in Bijbelverhalen tot verantwoordelijkheid geroepen worden, leert ons veel. God roept hen persoonlijk bij hun naam. En het antwoord is: ‘Hier ben ik’ (hinneni). De basis van verantwoordelijkheid is dus ‘luisteren – naar mensen die ziek, eenzaam, thuisloos, verwaarloosd en buitengesloten zijn, mensen wier stem niet wordt gehoord; of naar de uitdagingen waarop niet is ingegaan, het probleem dat niet is opgelost, de dingen die gedaan moeten worden maar ongedaan blijven.

‘Eén daad kan een wereld van verschil maken. Eén ogenblik kan een leven rechtvaardigen.’

Joodse verhalen gaan in het algemeen over gewone mensen. In de joodse volkstraditie kan de wereld staande blijven dankzij de 36 verborgen rechtvaardigen, die dat ook van zichzelf niet weten. Ze achten zichzelf of hun daden helemaal niet zo bijzonder. Dit joodse inzicht helpt ons om te zien dat de draagwijdte van onze daden zich grotendeels aan het zicht onttrekt. ‘Wij kunnen nooit echt weten hoeveel wij anderen gegeven hebben – hoe een vriendelijk woord, een attente daad, een troostend gebaar levens veranderen en nooit vergeten worden.’ Zo werkt de verlossing van kleine stappen, van één enkele daad per keer.

‘Het jodendom is de principiële verwerping van de tragiek uit naam van de hoop.’

De joodse ethiek van verantwoordelijkheid is het tegengif voor de aangeleerde hulpeloosheid van fatalistische opvattingen die onze fundamentele vrijheid weerspreken. ‘Moed wordt geboren op het moment dat we besluiten om in plaats van te klagen, persoonlijk protest aan te tekenen tegen het kwaad in de wereld door goed te doen, hoe onbeduidend ook.’ Als we dat voor ogen houden, brengt elke dag een kans met zich mee. ‘Als wij zijn waar wij zijn omdat God dat van ons verlangt, dan moet er in iedere situatie iets zijn waarvan Hij wil dat wij dat doen, een of andere daad van bevrijding waarvan Hij wil dat wij die verrichten.’

Uit de levensverhalen in Sacks’ boek blijkt dat geluk niet zozeer de afwezigheid van lijden is, ‘maar het vermogen om de gebroken disharmonieën ervan op te nemen en te veranderen in muziek die uit de donkerste regionen van de ziel een beklemmende, maar toch tegelijk humaniserende schoonheid weet te redden.’ Denk aan de worsteling van Jakob met de engel. ‘Geloof is de weigering om het op te geven voordat je lijden hebt omgezet in een zegen.’

 Jonathan Sacks, Een gebroken wereld heel maken. Verantwoordelijkheid in tijden van crisis, Skandalon, Vught, 2016, 352 blz.