De kamer waar ze slaapt

Twee maanden geleden – op medisch-sanitair vlak een eeuwigheid. Drieëntwintig mensen in een kamer, wat opeengepakt. Enkelen op de vier stoelen die voorhanden zijn. Daar iemand op de rand van het bed, en hier nog twee steunend tegen de smalle tafel. De rest rechtop, in een soort kring rond het bed met daarin één iemand, hoorbaar ademend tussen het gefluister. Betraande ogen die lief gelachen hebben naar wie toekwam. Jas bij de stapel. Zoenen en hartelijke omhelzingen. En dan de blik op de vrouw in het bed. Zij kan niet meer terugkijken, zal nooit meer wat zeggen. Er resten nog wat uren of dagen ademhaling. Dat hebben de artsen verteld.

Vreemde stilte

Aan elke nieuwkomer is het verhaal gedaan. Want de oproep was kort: “Kom naar het ziekenhuis. Y op spoed.” Ze was wel oud, maar nog gezond, kwam net fris geknipt buiten bij de kapper, maakte nog een grapje, en zakte aan de arm van haar dochter ineen. Nu glijden de uren traag maar toch te kort voorbij. In de stoelen aan het hoofdeinde komt met rustige regelmaat iemand anders zitten. Er wordt nog iets tegen haar gefluisterd, er liggen handen op haar schouders, ze krijgt zoenen en zachte streeltjes. En bij het minste ademschokje draaien alle ogen in de kamer naar dat ene punt – is het onafwendbare moment gekomen? De dood waart in de kamer rond als een ongewenste gast die voor een vreemde stilte zorgt. Maar het is een vriendelijke stilte. Alsof er tijd geruimd wordt voor de onnoembare schoonheid van gewone menselijke liefde. Alle handen, alle woorden hebben de schitterende glans van vochtige ogen.

Stille waken

De uren rijgen zich aaneen tot een dag. De bezetting in de kamer wisselt. Het wordt avond. Nog is de gevreesde dood niet gekomen. En het intense stille waken eist zijn tol. Iedereen is uitgeput en hongerig. De meest bezorgden zijn zichzelf de hele dag vergeten. Als vanzelf gebeurt het, een paar knikjes, enkele hoofden bij elkaar. Er gaan jassen aan. Een hele tijd later worden drie zakken boodschappen binnengebracht. Het tweede bed wordt omgetoverd tot een soort picknicktafel en broodjes gaan rond. Dankbaar wordt er gegeten, in groepjes in het groene gras.

Centrum

Zij maakt het mee, ze is er het centrum van. Alles vertraagt tot dat ene: samen bij haar te zijn. Het verdelen van de wacht. En dat ze daar toch niet kan blijven als ze gestorven is.

Diep in de nacht gaan de laatsten naar huis. De anderen kiezen een zetel. Morgen worden ze afgelost voor een nieuwe langzaam tikkende dag.

Na één keer naar huis

Een berichtje die avond. Ze is zacht gestopt met ademen. Maar ze komt nog één keer naar huis. Een weekend lang opgebaard in haar bed. De laatste keer visite. Het huis is warm, de omhelzingen innig, de lippen los. Herinneringen. Een dessertje. Sommigen rustig in de zetel. Aan tafel wordt druk voorbereid voor de uitvaart.

Zij ligt vredig en mooi in haar kamer. Ik zit naast haar bed. Mijn zoontje voelt: ze is koud. Hij legt zijn tekening onder haar gevouwen handen. Nu wil hij pudding. Ik geef haar nog een kus.