Twee gesprekken

“Ik wil van twee gesprekken vertellen,” schrijft Martin Buber (in de proloog van Godsverduistering). Hij doet het verslag van twee reële conversaties, die voor hem het prototype geworden zijn van twee manieren van spreken.

Ook ik wil van twee gesprekken vertellen, waarbij het – zoals bij Buber – “telkens om God te doen was, maar op zeer verschillende wijze.”

Het schemerde

De eerste keer was ik als gast gevraagd om mee te werken met een groep specialisten. Achteraf werd ik uitgenodigd voor een diner met lekkere wijn. Wat een genot omringd te zijn door mensen die mijn opinie over geloof en Kerk deelden. Wat een aangename verbondenheid wanneer ze met hun handen naar het hoofd grepen bij wat mij verontwaardigde, op tafel mepten met dezelfde woede als ik, of moedeloos zuchtten om wat ook mij mistroostig maakte. Bij het afscheid werden schouderklopjes uitgedeeld ten teken van de bijzondere verbondenheid. Toen ik naar huis wandelde vervloog de voldoening echter snel. Met een mistroostig onbehagen keek ik naar een koude wereld.

Het leek op het wrange gevoel dat Buber achtervolgde nadat hij een twistgesprek over God in zijn voordeel kon beslechten. Het hele gesprek, de hele manier van spreken, woog, en tijdens de terugweg merkte Buber op dat “het schemerde; het was laat.”

Het was zeer licht geworden

Kort daarna had ik een heel andere ervaring. We waren met twee mannen en twee vrouwen, verschillend in leeftijd, in opvattingen, in achtergrond, en we hadden een heel open, maar toch voorzichtig gesprek. Het vertrok van de constatering dat we – hoe verschillend we ook waren – allemaal onmogelijk onverschillig konden blijven voor die dekselse Jezus. We deden eigenlijk niet veel meer dan elkaar deelgenoot maken van het onontkoombare moeten dat Hij in ons leven was. Het effect ervan ging alle wijn of bier te boven, en stond in schril contrast met die vileine hoofdschuddende eensgezindheid van op het diner.

Het was zoals het andere gesprek van Buber, waarin hij op een ochtend sprak over God met een oude professor, hun meningen naast elkaar leggend zonder tot een vergelijk te komen, maar toen ze uit elkaar gingen, “was het zeer licht geworden in de kamer.”

Niet meer ‘Hij’ zeggen, maar ‘Gij’ zuchten, krijten

Het verschil was mij wel opgevallen, maar zonder het goed te begrijpen. Toevallig hoorde ik in die weken voorlezen over de eerste leerlingen die “de gemeenschap bijeenroepen en vertellen over wat God met hen tot stand heeft gebracht.” (Hand 14,27) En ik werd getroffen door het startpunt van hun gesprek: hier zijn geen ideeën over God in het spel, alle aandacht gaat naar de levende relatie. De leerlingen vertellen eenvoudigweg hoe ze God in actie hebben gezien.

Toen dacht ik aan Buber, die schrijft dat alles aankomt op dat ene: “Dat ze niet meer ‘Hij, hij’ zeggen, maar ‘Gij, gij’ zuchten, ‘Gij’ krijten.” Waar twee of meer op die manier samen zijn, “zijn ze het in de Naam van God.”

 

Pieter Van Petegem

[gepubliceerd in Tertio]