Oorlogskunst

11 november 2018 nadert, het einde van vier jaar herdenking van de grote oorlog. Het viel me op dat de kunsten, en dan vooral de muziek, een voorname rol spelen in alle herdenkingsactiviteiten. Maar kan je de wreedheid van de oorlog wel tot onderwerp maken van kunst? Kan je in een comfortabele, verwarmde concertzaal waarachtig de slachtoffers van oorlog gedenken? Is kunst over de oorlog niet een soort sublimatie, die probeert nog enige schoonheid te persen uit wat in alle opzichten lelijk is? Het beroemde woord van de filosoof Theodor Adorno, dat poëzie schrijven nà Auschwitz een barbaarse daad is (Prismen, 1949), lijkt een ernstige verdachtmaking te leggen op alle oorlogskunst.

En toch heeft het een diepe zin, denk ik, om een artistieke uitdrukking te geven aan de afschuw voor oorlog en aan het mededogen met de slachtoffers. De Britse componist Benjamin Britten deed het op sublieme wijze met een grootschalig requiem voor alle oorlogsslachtoffers, War Requiem. Het ging in première in 1962, bij de heropening van de St Michael’s Cathedral in Coventry. De middeleeuwse kathedraal was in de Tweede Wereldoorlog tot puin herschapen door een aanval van de Duitse Luftwaffe. Vlak naast de ruïnes verrees een modern gebouw, zodat al wie de kathedraal binnengaat, door de ruïnes van de vorige kerk moet stappen.

Wat Brittens War Requiem zo geloofwaardig maakt, is dat hij de Latijnse requiemmis op gezette tijden onderbreekt voor de confronterende oorlogspoëzie van loopgravendichter Wilfred Owen. In het Lacrimosa bijvoorbeeld – een hartverscheurende weeklacht van de sopraan – ruimt de Latijnse tekst vier keer plaats voor de verzen van Owen. “Move him into the sun / Gently its touch awoke him once”, zo luiden de eerste versregels. Leg hem in de zon, onze gesneuvelde kompaan. Misschien zullen haar warme stralen hem weer tot leven wekken, zoals toen hij nog een kind was en de zon hem elke morgen wakker maakte. Owens poëzie zoomt in op het verschrikkelijke lot van de enkeling, op de soldaat met een naam en een gezicht, die daar levenloos in de verse sneeuw ligt. De Latijnse mistekt neemt al deze ellende op in een tijd en ruimte overstijgende bede en klacht. Britten rafelt de sacrosancte tekst wel in flarden uiteen, maar enkel om er de oorlogspoëzie als een levend, nog warm lichaam tussen te kunnen schuiven.

Zo laat hij de luisteraar heen en weer pendelen tussen de met wierookgeur omgeven teksten van de dodenmis en Owens rauwe poëzie die nog naar de modder van de loopgraven ruikt. Is dat geen waarachtige manier om oorlogsslachtoffers te eren? Door naar die twee stemmen te luisteren – de stem van de liturgie en de stem van de soldaat aan het front. Twee stemmen die nergens vloeken met elkaar, maar een ruimte openmaken waarin iets waarachtigs gezegd kan worden.

Jan Christiaens

[gepubliceerd in Tertio]

Advertenties