Spreekt Jezus Nederlands?

‘Toen de Heer neerdaalde om de stad en de toren die de mensen bouwden, in ogenschouw te nemen, zei Hij: “Nu zijn ze één volk en spreken zij allen dezelfde taal. (…) Laten wij neerdalen en verwarring brengen in hun taal, zodat de een niet meer verstaat wat de ander zegt.”’  (eerste lezing op de vooravond van Pinksteren)

Vorig jaar, Pinksteren. We zitten in de mis. We, dat is ons gezin. Met drie kinderen – lagere school en een kleuter. Niet zo rustig dus, zoals gewoonlijk. Bij het Onzevader moet de jongste zo nodig iets vragen. Ik probeer hem vriendelijk tot stilte te manen. Maar het is hem schijnbaar te belangrijk. Ik neig me voorover. Hij: ‘Papa, kan Jezus ons horen?’ Het is al een tijdje een thema. Die vreemde gewoonte van papa om te bidden. En wie hoort dat dan? ‘Dat denk ik wel, jongen.’ – Een kleine stilte, zijn ene oog lichtjes toegeknepen. En dan verwonderd: ‘Spreekt Jezus onze taal?’ Ook die taal is een thema. Het buurjongentje is half Franstalig. Er is dus ‘zijn’ taal en ‘onze’ taal. Maar ik moet toegeven dat de vraag me perplex deed staan. Daar had ik nog nooit zo over nagedacht. ‘Neen, Jezus spreekt volgens mij geen Nederlands.’ En toch spreken wij Hem vrolijk aan in onze moedertaal.

Ik was ondertussen op zoek naar een antwoord. Zeggen dat Jezus Aramees sprak, was niet echt een hulp. Dat dreef de paradox eerder op de spits. Ik denk dat ik stuntelend iets zei over de taal van ons hart en dat Jezus wel verstaat wat wij bedoelen, omdat hij ons hart begrijpt.

Het lijkt ons vanzelfsprekend dat God in alle talen lof kan gezongen worden. Maar als ik er met de ogen van mijn zoontje naar keek, viel me pas goed op hoe vreemd het is hier Nederlands te horen, daar dan weer te psalmodiëren in het Frans, en er in de liederen zelfs Latijn, Engels, Spaans en Zuid-Afrikaans klinkt. En dat is dan allemaal voor God – die ons hart begrijpt.

Volgens mij is het voor de jongen een mysterie gebleven. ‘Daarom noemt men die stad Babel want de Heer heeft daar verwarring gebracht in de taal van alle mensen.’

Ik was daarentegen in de bovenkamer met de leerlingen, waar de Geest zich in tongen verdeelde. Nooit heb ik zo goed de wonderlijke toegang begrepen die Pinksteren ons tot God verleent. Dat er een Geest is om de taalbarrière te overwinnen. Dat er één taal is, één communicatiemiddel tussen God en mens. Dat de Geest ons God doet verstaan, en ons de woorden geeft om tot God te spreken, met het zacht murmelen van de Geest in al onze menswoorden, zoals de tweede lezing zei: ‘Wij weten niet eens hoe wij behoren te bidden, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. En Hij die de harten doorgrondt, weet waar de Geest op zint, want Hij pleit voor de heiligen naar Gods bedoeling.’ De Geest helpt ons uit de Babylonische verwarring. Diep ontroerd heb ik het Veni Creator Spiritus meegezongen: ‘O taal waarin wij God verstaan, wij heffen onze lofzang aan.’

Pieter Bob Van Petegem

[gepubliceerd in Tertio]

Advertenties