Sterk mij met druivenkoeken

‘Sterk mij met druivenkoeken,
verkwik mij met kweeappels,
want ik ben ziek van liefde.’

Deze aantrekkelijke, maar raadselachtige woorden komen uit het Hooglied (2,5), het Bijbelse liefdesgedicht waarin de traditie een zang heeft gelezen op de liefde tussen God en de gelovige ziel (of het Godsvolk). Het meisje zwijmelt en roept uit: ‘Sterk mij, verkwik mij.’ Maar wat voor opkikkertje ze nodig heeft, is niet precies duidelijk. Want de woorden ‘druivenkoeken’, ‘verkwik’ en ‘kweeappels’ komen slechts enkele malen voor in de Bijbel en zijn daarom moeilijk te verstaan.

Nochtans had waarschijnlijk niets haar noden juister kunnen omschrijven. Want wat is de oorzaak van haar innerlijke zwakte? Wat bedoelt ze als ze zegt: ‘Ik ben ziek van liefde?’ Niets anders dan wat de psalmist zegt: ‘Zoals een hert smacht naar water, zo smacht mijn ziel naar U, mijn God. Mijn ziel dorst naar God.’ (Ps 42,2-3)

Waar ‘ziel’ staat, zou je ook met ‘keel’ kunnen vertalen. Want de ziel is voor het Bijbelse denken geen ijle substantie, ze is veeleer het méér dan lichaam in het lichaam. Vandaar al die lichamelijke beelden. Het meisje zucht dus: ‘Mijn keel heeft dorst naar God.’ Haar geestelijke honger manifesteert zich in haar lichaam, gaat door haar keel. Ze verlangt ‘druivenkoeken’ en ‘kweeappels’. Tastbare dingen, die je evenwel niet sluitend kan bevatten, omdat ze niet louter materieel zijn, maar materieel én geestelijk.

Waarom was ik zo geprikkeld door deze verzen? Omdat ze mij de zin van het vasten helpen verstaan. Ze vertellen dat zich in het lichamelijke iets geestelijks manifesteert. Met een boutade: mijn keel is mijn ziel. Door de lichamelijke hunkering die ik voel als ik mij dingen ontzeg, als ik mijn maag niet volledig vul, kom ik ook terug de diepste hunkering van mijn ziel op het spoor.

Zo wordt wie vast tot in zijn lichaam toe gevoelig voor Gods aansporing in het boek Jesaja (55,1-2):

‘Kom, wie dorst heeft, hier is water…
kom, koop voedsel zonder geld.
Luister aandachtig naar Mij,
en je zult eten wat goed is.’

Ja, dát zijn de ‘verkwikkende’ ‘kweeappels’ en ‘druivenkoeken’: ze zijn wat ‘goed’ is.

Een opmerking. Er zijn in de Bijbel slechts twee andere vindplaatsen van het woord ‘druivenkoeken’. Wanneer David de Ark van het verbond plechtig overbrengt naar de door hem veroverde stad Jeruzalem vindt een offerdienst plaats, worden alle aanwezigen gezegend en krijgen ze, voor ze naar huis gaan, voedsel mee, waaronder zo’n druivenkoek – als een soort materiële uitloper van de liturgie. Gods bittere woorden tot de profeet Hosea hebben het echter over zijn volk dat zich tot andere goden keert en ‘verzot is op druivenkoeken.’ Zijn die druivenkoeken dan hoogwaardig voedsel of junkfood? Kennelijk kunnen ze beide zijn. Het is de relatie met God die in elk concreet geval hun natuur bepaalt.

Vasten wil niet zeggen dat er me niets door de keel moet gaan, integendeel. Wel dat mijn ziel meer in mijn keel moet liggen. Maar daarvoor helpt het dat er minder door gaat.

Pieter Van Petegem

[Gepubliceerd in Tertio]