Ondraaglijke grauwheid

Luisteraars die zich geen houding weten te geven. Mensen die met de handpalmen hun oren dichtstoppen. Enkelingen die merkelijk verbolgen de zaal verlaten. En ondertussen het geluid van een piano waarop genadeloos hard wordt ingebeukt, een houten kist die met twee hamers bespeeld wordt, en acht contrabassen die sporen van klank uitslijpen. Ik maakte het mee tijdens een concert in de abdijkerk van Keizersberg in Leuven, waar werk van de Russische componiste Galina Oestvolskaja (1919-2006) werd opgevoerd.

Oestvolskaja, de stem uit Leningrad, epicentrum van de communistische terreur, schreef muziek van een onmenselijke intensiteit. In besprekingen van haar werk zijn omschrijvingen als hardvochtig, meedogenloos en brutaal schering en inslag. Dat geldt zeker voor haar Compositie nr. 2, bijgenaamd “Dies Irae” (1972-73), voor piano, houten kist en acht contrabassen. Het was voor mij het hoogtepunt van dat concert in Leuven. Twintig minuten muziek, die onverbiddelijk gaten brandt in je ziel. Probeer het je maar voor te stellen: de pianist speelt met de handpalmen en vuisten uiterst dissonante klankclusters, in een bezwerend ritme dat geëchood wordt door de gespierde hamerslagen en de norse strijkersklanken. Boven de muzikanten hangt het kruisbeeld van de abdijkerk, waar je als luisteraar moeilijk naast kan kijken.

Hoe confronterend en ontregelend die elementaire brutaliteit van haar muziek ook is, toch heb ik ervaren dat er ook een diepe spirituele kracht in schuilt. Want ik bleef geboeid luisteren, tegen beter weten in. Meer nog, de muziek oefende een haast magnetische aantrekkingskracht op mij uit. Misschien wel vooral door wat ze onmiskenbaar niét doet: ze wil helemaal niet mooi zijn, daar bestaat niet de minste twijfel over. Evenmin wil ze in het gevlei komen bij de luisteraar, of hem iets laten ervaren wat hij eigenlijk al weet of bezit. Neen, onverschrokken nam deze muziek mij mee naar de diepten van menselijke pijn en ellende. Ik hoorde er de meest afgrondelijke uitingen van pijn, lijden en troosteloosheid in, genadeloos inbeukend op het leven van mensen.

Tijdens de beluistering van “Dies Irae” ging mijn blik af en toe naar het kruisbeeld boven de muzikanten. De stilte ervan stond in fel contrast met wat ondertussen klonk in de abdijkerk. En toch wierp het kruisbeeld een onverwacht licht op deze donkere muziek. Gaandeweg begon ik anders te luisteren. Want is er niet Iemand uit liefde afgedaald in de grauwheid waar Oestvolskaja’s “Dies Irae” op haast ondraaglijke wijze uitdrukking aan geeft?

Jan Christiaens

Gepubliceerd in Tertio, november 2017