Twee gesprekken

“Ik wil van twee gesprekken vertellen,” schrijft Martin Buber (in de proloog van Godsverduistering). Hij doet het verslag van twee reële conversaties, die voor hem het prototype geworden zijn van twee manieren van spreken.

Ook ik wil van twee gesprekken vertellen, waarbij het – zoals bij Buber – “telkens om God te doen was, maar op zeer verschillende wijze.”

Het schemerde

De eerste keer was ik als gast gevraagd om mee te werken met een groep specialisten. Achteraf werd ik uitgenodigd voor een diner met lekkere wijn. Wat een genot omringd te zijn door mensen die mijn opinie over geloof en Kerk deelden. Wat een aangename verbondenheid wanneer ze met hun handen naar het hoofd grepen bij wat mij verontwaardigde, op tafel mepten met dezelfde woede als ik, of moedeloos zuchtten om wat ook mij mistroostig maakte. Bij het afscheid werden schouderklopjes uitgedeeld ten teken van de bijzondere verbondenheid. Toen ik naar huis wandelde vervloog de voldoening echter snel. Met een mistroostig onbehagen keek ik naar een koude wereld.

Het leek op het wrange gevoel dat Buber achtervolgde nadat hij een twistgesprek over God in zijn voordeel kon beslechten. Het hele gesprek, de hele manier van spreken, woog, en tijdens de terugweg merkte Buber op dat “het schemerde; het was laat.”

Het was zeer licht geworden

Kort daarna had ik een heel andere ervaring. We waren met twee mannen en twee vrouwen, verschillend in leeftijd, in opvattingen, in achtergrond, en we hadden een heel open, maar toch voorzichtig gesprek. Het vertrok van de constatering dat we – hoe verschillend we ook waren – allemaal onmogelijk onverschillig konden blijven voor die dekselse Jezus. We deden eigenlijk niet veel meer dan elkaar deelgenoot maken van het onontkoombare moeten dat Hij in ons leven was. Het effect ervan ging alle wijn of bier te boven, en stond in schril contrast met die vileine hoofdschuddende eensgezindheid van op het diner.

Het was zoals het andere gesprek van Buber, waarin hij op een ochtend sprak over God met een oude professor, hun meningen naast elkaar leggend zonder tot een vergelijk te komen, maar toen ze uit elkaar gingen, “was het zeer licht geworden in de kamer.”

Niet meer ‘Hij’ zeggen, maar ‘Gij’ zuchten, krijten

Het verschil was mij wel opgevallen, maar zonder het goed te begrijpen. Toevallig hoorde ik in die weken voorlezen over de eerste leerlingen die “de gemeenschap bijeenroepen en vertellen over wat God met hen tot stand heeft gebracht.” (Hand 14,27) En ik werd getroffen door het startpunt van hun gesprek: hier zijn geen ideeën over God in het spel, alle aandacht gaat naar de levende relatie. De leerlingen vertellen eenvoudigweg hoe ze God in actie hebben gezien.

Toen dacht ik aan Buber, die schrijft dat alles aankomt op dat ene: “Dat ze niet meer ‘Hij, hij’ zeggen, maar ‘Gij, gij’ zuchten, ‘Gij’ krijten.” Waar twee of meer op die manier samen zijn, “zijn ze het in de Naam van God.”

 

Pieter Van Petegem

[gepubliceerd in Tertio]

Waarom de waarheid ertoe doet

De perversie van de waarheid: Trump

Hoe kan het toch dat iemand met zo een perverse verhouding tot de waarheid als Donald Trump de leiding over een wereldmacht toevertrouwd krijgt? Je kan het je morrend afvragen, maar Susan Neiman wijst er in haar vlot lezend pamflet – Verzet en rede – fijntjes op dat die hallucinante gebeurtenis meer met onszelf te maken heeft dan we willen geloven. In het spreken en handelen van populistische politici krijg je de gevolgen te zien van de postmoderne relativering van de waarheid, stelt ze.

Een vervuild alledaags discours: relativisme

Na drie hoofdstukken voorbeschouwing in Amerikaanse stijl, met veel anekdotes en voorbeelden, komt Neiman in de twee laatste hoofdstukken tot de basis van haar stelling: ons alledaagse discours ‘is vervuild door de overtuiging dat aanspraken op waarheid en moraal niets anders dan aanspraken op macht zijn.’ De postmoderne gedachten dat elke waarheid gedeconstrueerd kan worden en dat de enige echte beweegreden in ons leven de survival of the fittest is, zijn zodanig deel gaan uitmaken van ons dagelijks leven dat we geen enkel redelijk verzet meer plegen tegen wat tenslotte louter ideologieën zijn.

Filosofen hebben duizenden jaren lang geworsteld met het verband tussen denken en handelen, maar ook zonder hun argumenten uit te spitten is één ding overduidelijk: wat je mogelijk acht, bepaalt het kader waarbinnen je handelt. Als je denkt dat het onmogelijk is om waarheid van een bedacht verhaal te onderscheiden, doe je geen moeite meer om dat te proberen. Als je denkt dat het onmogelijk is op basis van iets anders dan eigenbelang te handelen, weet je zeker dat je dit ook doet.

Wantrouwen en tolerantie

De filosofe treft het hart van onze samenleving wanneer ze erop wijst dat die alledaagse nonchalance tegenover de waarheid een ideale voedingsbodem is voor extremisme en populisme. Holocaustnegativisme bijvoorbeeld of andere complottheorieën worden immers juist gevoed door wantrouwen voor wat voorgesteld wordt als feitelijk. Als je dus denkt dat je extremisme kan bestrijden door het prediken van meer tolerantie, heb je het behoorlijk mis volgens Neiman. Daarmee kon de mensheid ten tijde van de godsdienstoorlogen weliswaar leren omgaan met onverenigbare opvattingen, maar in onze tijd van relativisme is er hoegenaamd geen nood aan extra nadruk op de machteloosheid t.o.v. andere meningen. Er is veeleer nood aan belangstelling en waardering voor de waarheid in andere culturen.

Waarheid, feiten en rechtvaardigheid

Het is natuurlijk belangrijk om op het niveau van de feiten te zoeken naar de waarheid. Je kan je bijvoorbeeld niet blind laten leiden door wat je via de gewone media te weten komt om historische gebeurtenissen juist in te schatten.

Het is echter nog belangrijker om in te zien dat in onze tijd onterecht alle nadruk is komen liggen op de capaciteit om feiten te verzamelen en op basis daarvan wetenschappelijke redeneringen op te zetten, met andere woorden op de utilitaire kant van de rede. De neiging bestaat onze denkvermogens te reduceren tot die functie om de macht te verwerven om zaken te voorspellen én te manipuleren.

Neiman benadrukt dat de rede ook voor hogere doelen ingezet moet worden. In de 18e eeuw al maakte Kant duidelijk dat de rede ‘het vermogen is gebruik te maken van universele waarden, vooral waarheid en rechtvaardigheid, als oriëntatiepunten voor het denken.’ Het is de taak van de rede om met ideeën, met idealen weerstand bieden aan de drang de feitelijkheid als norm te zien. Anders dreig je de vraag naar wat goed en juist is uit handen te geven aan ‘neoliberale economische adviseurs die de zogenaamde natuurlijkheid van hun ideologie ondersteunen met de biologische evolutietheorie.

Laat je op een zomerse namiddag in de zon door Neiman een goedmoedige tik uitdelen voor je lakse relativisme. Want om de werkelijkheid goed te zien, ‘heb je een waarheidsconcept nodig.’

 

[Susan Neiman, Verzet en rede in tijden van nepnieuws, Lemniscaat, Rotterdam, 79 blz.]

 

Pieter Van Petegem

Blind geloof

Ik ben een trage gelovige. Dat wist ik al langer. Toch is het met enige schroom dat ik hier toegeef hoe ik gesticht werd door een kleuterboekje dat ik met mijn kroost las. Dat boekje ligt achteraan in onze kerk, op het stapeltje leesvoer dat dient om de schaars aanwezige kinderen enig entertainment te bieden tijdens de mis.

Het moet me van het hart, ik heb van die boekjes een beloning gemaakt, voor ná de mis. Want dat frenetieke geblader tijdens het Hooggebed, ik kan het slecht verdragen. Nu goed, na de mis is er dus een boekje. Vervelend genoeg: hoe kinderachtiger, hoe prettiger ze dat lijken te vinden. Vandaar waarschijnlijk de voorkeur voor het verhaal van Batimeüs. In de evangeliën beslaat het nog geen tien verzen. Verspreid die over hetzelfde aantal dubbele bladzijden, met daarop telkens zo’n grote kindertekening ondertiteld door één korte zin: ‘Bartimeüs is blind.’ En vervolgens: ‘Hij bedelt.’ Dat soort boekje.

Maar genoeg gelachen. Want ik moet toegeven dat er één prent is die me telkens weer raakt. Wanneer Bartimeüs hoort dat Jezus langskomt, begint hij te roepen: ‘Jezus, help!’ De prent is heel eenvoudig. Er staat een groot gezicht op, met een band over de ogen en een wijd geopende mond. De omstanders manen hem tot stilte, de aansteller. Waarop hij enkel harder roept: ‘Jezus, help!!!’ Op de prent die daarbij hoort, staat datzelfde gezicht, maar dan met de mond extra wijd open, en rood aangelopen van de inspanning. Die prent. De aandrang waarmee de man roept. De eenvoud van de tekening, van de daad, van de verhouding. En de sprong in Jezus’ armen die daarin in al zijn diepgang en reikwijdte vervat zit. Dat is mijn favoriete prent.

Op die bewuste dag ging het in de lezingen over Paulus. Ik had mijn dochter uitgelegd dat hij de eerste leerling van Jezus was zoals wij: hij had Jezus niet gekend toen Hij nog leefde. – Of hoe zeg je dat op een theologisch correcte manier? Hij had Jezus niet gezien toen Hij nog met zijn leerlingen rondtrok, maar leerde Hem pas kennen toen Hij al gestorven was? … Als ik het zo gezegd had, had mijn dochter mij waarschijnlijk aangekeken met haar hoofd een klein beetje scheef. – Hoe dan ook, we kwamen terug aan het moment van het voorlezen: Bartimeüs. Een man die Jezus niet kan zien. Maar die roept: ‘Jezus, help!’ Die in grote mensentaal bidt: ‘Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij!’ Om Hem vervolgens te zien te krijgen en zonder verdere boe of bah te volgen. Bartimeüs wordt een leerling, zoals Paulus, en zoals wij. Wat hij daarvoor doet? Roepen. Bidden. Nog nooit was ik zelf zo gefascineerd. Voor mijn kinderen zit ik in de kerk ook als een blinde te mompelen tot een Man die zij noch ik kunnen zien. Maar Bartimeüs durft te roepen, des te harder als men hem zegt wat een dwaze kwast hij is. ‘Je gelooft. Je zal zien,’ zegt Jezus in het boekje. Verbluffend. Dat vond ik toch. Maar ik ben een trage gelovige, en heb zelfs voor kleine kinderstapjes veel tijd nodig.

 

Pieter Van Petegem

God is dood. Wij zijn vrij

Begin 2018 is er een nieuwe Nederlandse vertaling verschenen van De vrolijke wetenschap, het boek waarin Nietzsche de dolle mens de grootste heldendaad van het mensengeslacht laat rondbazuinen: wij hebben God gedood!

Nietzsche’s waardering voor deze daad is even groot als zijn viscerale afkeer van wat hij de zieke wil van de gelovigen noemt. ‘Het geloof wordt altijd het meest begeerd, is het dringendste nodig waar het aan wil ontbreekt,’ schrijft hij in aforisme 347. ‘Dat wil zeggen, hoe minder iemand weet te bevelen, des te vuriger verlangt hij naar iemand die beveelt.’

Dat de gelovigen als kuddedieren hun eigen wil aan zo’n despoot onderwerpen, tot daar aan toe. Maar die despoot fnuikt ook de sterken, die willen leven met ‘een lust en kracht van zelfbeschikking, een vrijheid van de wil waarbij een geest elk geloof, elke wens naar zekerheid vaarwel zegt.’ Gods dood bevrijdt nu precies de hele mensheid van die beknottende slavenmoraal waarvan Hij het sluitstuk is.

Echter, constateert de dolle man, de bevrijding is nog niet doorgedrongen. ‘Ik kom te vroeg,’ zucht hij.

Zou meer dan 130 jaar later de tijd gekomen zijn? Ik vraag het me af. De grote argwaan voor religie is gemeengoed geworden, en ‘God is dood’ een gezellige boutade. Maar onze ontvoogding heeft niet de vrijheid gebracht die Nietzsche voor ogen had.

Is er dan geen vrijheid mogelijk? Thomas a Kempis, de grootmeester van de moderne devotie, meent van wel. Hij schrijft in De navolging van Christus: ‘Je moet er ijverig naar streven dat je overal en in iedere handeling of uiterlijke bezigheid innerlijk vrij bent en jezelf in de hand houdt, en dat jij alles onder controle hebt, niet omgekeerd. Dan ben je heer en stuurman van je daden, geen knecht of huurling, maar eerder een vrijgeboren en waarachtige Hebreeër, die overgaat tot het erfdeel en de vrijheid van de kinderen Gods.’ (IV, 38)

Thomas a Kempis maakt duidelijk dat je om voluit gelovig te leven niet willoos moet worden. De overgave in het geestelijke leven is geen troonsafstand, maar een wilsdaad. De verstrengeling van wilskracht en overgave klinkt ook door in de woorden van Jezus bij Johannes:  ‘Niemand neemt Mij mijn leven af [letterlijk: mijn ziel, mijn ‘ik’], Ik geef het uit eigen wil.’ (Joh 10,18)

Een goede christen is geen slappe dweil, maar laat zijn ‘ik’ los uit eigen wil. En dat doe je in iedere handeling of bezigheid, in het bijzonder in kleine dingen. Want ‘het is geen kleinigheid zichzelf ook in kleinigheden los te laten.’ (IV, 39) Wanneer je jezelf in handen neemt, om bijvoorbeeld tijd te maken voor het gebed, of om je driftige reacties niet de vrije loop te laten en wilskrachtig op de tong bijt, maak je jezelf tot stuurman van je daden. En dan ga je over van Egypte, het land der slaven, naar het Beloofde Land van de vrijheid. Daar ben je mans genoeg om te zeggen: ‘ Uw wil geschiede.’

 

Pieter Van Petegem

Ik houd niet van de vasten

Ik houd niet van de vasten. Het ruikt naar muffe kerken en klerikale wetjes. Dat gedoe met vlees derven en dat gemekker over snoep en al wat ik achterwege zou moeten laten. Alsof de lieve Jezus een moer geeft om mijn lijn. Ach neen, natuurlijk, zo mag je het niet begrijpen. Je kan ook hedendaags vasten. Dan mag alles wel, maar kies je gewoon zelf een vastenpuntje. In deze periode neem ik minder de auto en ga ik met de fiets naar het werk. Een mooi plan voorwaar, zeker nu het weer toch beter wordt… Of die smartphoneverzakers, Facebooksluiters, tv-vermijders en andere moderne meeheulers. En altijd weer met dat ingenieuze tellen van de dagen: het zijn er 40, want de zondagen doen niet mee. Jezus zat immers 40 dagen in de woestijn. Ja, en hij sloeg de zondagen hoogst waarschijnlijk ook over. Neen, ik houd niet van de vasten. Maar ach, wat maakt het uit. Toch geen mens meer die het nog doet, vasten. Want vasten is voor kwezelige sfeerbedervers en conservatieve regelnichten. Net iets voor die celibatairen uit Rome om hun makke schapen mee te belasten.

Neen, ik houd echt niet van de vasten. Dus doe ik het maar in het verborgene. Je weet wel: scheur je hart, niet je kleed. En omdat mijn hart vaak pas goed scheurt als ik een scheur in mijn kleed zie, scheur ik mijn kleed. Dat ik een beetje honger heb, hoeft niemand te zien. Maar zelf voel ik wel dat ik gerust een broodje zou verdragen om de honger te vergeten. Of neen, dat is het nog niet helemaal. Want op dagen dat ik druk in de weer ben, durf ik ook al eens vergeten te eten. Helemaal niet zo erg. Het is ’s avonds dat het me opvalt dat ik iets moet sussen. Wat een onvoldaan gevoel als ik de avond niet kan sluiten met een zak chips en een glas bier. Toch het summum van gezelligheid om knabbelend een serietje te kijken en de dag te laten wegebben. Proost! Nu moet ik wel toegeven: als je van dat voedsel eet en van dat water drinkt, krijg je weer honger en dorst. Het is iedere avond hetzelfde liedje. En nu merk ik de laatste tijd iets anders. Dat ik mezelf een grens stel en me dingen ontzeg geeft me een andere verzadiging. Een hongerige verzadiging, dat wel. Maar ik leef anders. En ik bid anders. Waarom is het mij vroeger nooit opgevallen dat er een maat is aan de dingen? We zouden het haast vergeten, maar in het paradijs is er een boom om niet van te eten. En verdorie, wat groeit mijn honger! Alles ziet er des te zoeter en smakelijker uit. Maar ik wil de honger niet meer stillen. Ik eet minder, tot net onder de grens van de verzadiging. Dat doe ik niet omdat het een regeltje is, maar omdat ik van de honger honger heb gekregen naar Hem. Ik heb een honger ontdekt waar ik meer honger naar wil krijgen. En telkens als mijn maag grolt, is het een gebed dat meer wil bidden. Wat een heilige tijd. Neen, ik zal niet afslanken door het vasten. Vette spijs heb ik gegeten. Want een mens leeft niet van brood alleen, maar van alles wat komt uit de mond van de Heer.

 

2017, Pieter Van Petegem

Het Woord is vlees geworden

“In de jongste dagen is het Woord van God, bekleed met een lichaam dat Hij van Maria ontvangen had, in deze wereld binnengetreden.” Het zijn de woorden van Origenes. We zijn in de 3e eeuw na Christus en hij richt zich tot het Godsvolk naar aanleiding van een lezing uit het boek Leviticus. Wat moeten we met zo’n boek, vraagt Origenes zich retorisch af. De beschrijvingen van joodse rituelen en offers, handelingen die de priester en het volk daarbij moeten verrichten, het subtiele onderscheid tussen reine en onreine dieren, gedetailleerde voedselvoorschriften, bepalingen over vrouwelijke onreinheid, regels over de behandeling van huidziekten ­– voor ons is het lezen van al die verordeningen toch nutteloos geworden?

Het lichaam van de Schrift

Laat je niet misleiden door de schijn, zegt Origenes. Denk aan wat er ‘in de jongste dagen’ gebeurde, hoe ‘het Woord van God deze wereld binnentrad, bekleed met een lichaam dat Hij van Maria had ontvangen’. Iedereen kon dat lichaam van Jezus zien. Maar het was niet iedereen gegeven ook zijn goddelijkheid te ontwaren. Net zo gaat het met het literaire corpus waarin Gods Woord onze wereld is binnengetreden via de gewijde schrijvers.

Als we lezen in het boek Leviticus, als we ons verbaasd afvragen wat bepalingen en wetten van een vervlogen tijd voor ons betekenen, mogen we ons niet blindstaren op de buitenkant van de tekst. Want zoals het Woord in Jezus’ menselijkheid verborgen was door “de sluier van het lichaam”, zo is het in de Bijbel verborgen door “de sluier van de letter”.

Met de Schrift hebben we een akker in handen gekregen waarin een schat verborgen ligt. Iedereen kan de Bijbel lezen, maar “zalig zijn de ogen die de goddelijke Geest zien, die verborgen is achter de sluier van de letter. Gelukkig zij die de zuivere oren van hun innerlijk daarnaar doen luisteren.”

Geestelijk voedsel

De woorden van de Schrift zijn geestelijk voedsel voor ons. Dat is wat we lezen bij de profeet Ezechiël, die de boekrol moest eten, en het smaakte hem als honing.

Maar ook het mens geworden Woord ligt natuurlijk niet toevallig in een kribbe. De os en de ezel weten wel dat in deze voederbak het ware voedsel ligt. Dat voedsel krijgen we nog steeds voorgeschoteld in de eucharistie, wanneer we het lichaam van Christus ontvangen. En voor dat lichaam van Christus geldt opnieuw wat geldt voor ‘het lichaam dat Hij van Maria ontvangen had’: iedereen kan het zien, iedereen kan het aanraken, maar zalig de mond die het tot zich neemt als geestelijk voedsel.

Kan het ons verbazen dat de communie en het lezen van de Schrift zo innig verbonden zijn? “U die regelmatig de goddelijke mysteriën bijwoont,” merkt Origenes elders op, “u weet met welke eerbiedige zorg u het Lichaam van de Heer, wanneer het aan u wordt uitgedeeld, bewaart, uit vrees dat er een kruimel valt en een deel van de gewijde schat verloren gaat. Net zo moet u er zorg voor dragen, wanneer u goddelijke woorden ontvangt en in u opneemt, dat u ze niet aan uw handen laat ontsnappen en ze verliest.”

Pieter Van Petegem

[gepubliceerd in Tertio]

Oorlogskunst

11 november 2018 nadert, het einde van vier jaar herdenking van de grote oorlog. Het viel me op dat de kunsten, en dan vooral de muziek, een voorname rol spelen in alle herdenkingsactiviteiten. Maar kan je de wreedheid van de oorlog wel tot onderwerp maken van kunst? Kan je in een comfortabele, verwarmde concertzaal waarachtig de slachtoffers van oorlog gedenken? Is kunst over de oorlog niet een soort sublimatie, die probeert nog enige schoonheid te persen uit wat in alle opzichten lelijk is? Het beroemde woord van de filosoof Theodor Adorno, dat poëzie schrijven nà Auschwitz een barbaarse daad is (Prismen, 1949), lijkt een ernstige verdachtmaking te leggen op alle oorlogskunst.

En toch heeft het een diepe zin, denk ik, om een artistieke uitdrukking te geven aan de afschuw voor oorlog en aan het mededogen met de slachtoffers. De Britse componist Benjamin Britten deed het op sublieme wijze met een grootschalig requiem voor alle oorlogsslachtoffers, War Requiem. Het ging in première in 1962, bij de heropening van de St Michael’s Cathedral in Coventry. De middeleeuwse kathedraal was in de Tweede Wereldoorlog tot puin herschapen door een aanval van de Duitse Luftwaffe. Vlak naast de ruïnes verrees een modern gebouw, zodat al wie de kathedraal binnengaat, door de ruïnes van de vorige kerk moet stappen.

Wat Brittens War Requiem zo geloofwaardig maakt, is dat hij de Latijnse requiemmis op gezette tijden onderbreekt voor de confronterende oorlogspoëzie van loopgravendichter Wilfred Owen. In het Lacrimosa bijvoorbeeld – een hartverscheurende weeklacht van de sopraan – ruimt de Latijnse tekst vier keer plaats voor de verzen van Owen. “Move him into the sun / Gently its touch awoke him once”, zo luiden de eerste versregels. Leg hem in de zon, onze gesneuvelde kompaan. Misschien zullen haar warme stralen hem weer tot leven wekken, zoals toen hij nog een kind was en de zon hem elke morgen wakker maakte. Owens poëzie zoomt in op het verschrikkelijke lot van de enkeling, op de soldaat met een naam en een gezicht, die daar levenloos in de verse sneeuw ligt. De Latijnse mistekt neemt al deze ellende op in een tijd en ruimte overstijgende bede en klacht. Britten rafelt de sacrosancte tekst wel in flarden uiteen, maar enkel om er de oorlogspoëzie als een levend, nog warm lichaam tussen te kunnen schuiven.

Zo laat hij de luisteraar heen en weer pendelen tussen de met wierookgeur omgeven teksten van de dodenmis en Owens rauwe poëzie die nog naar de modder van de loopgraven ruikt. Is dat geen waarachtige manier om oorlogsslachtoffers te eren? Door naar die twee stemmen te luisteren – de stem van de liturgie en de stem van de soldaat aan het front. Twee stemmen die nergens vloeken met elkaar, maar een ruimte openmaken waarin iets waarachtigs gezegd kan worden.

Jan Christiaens

[gepubliceerd in Tertio]

Hunkeren naar schoonheid

“Jeunes compositeurs, si vous avez la foi, marchez de l’avant et donnez-nous des oeuvres religieuses vivantes et agissantes!” Met deze woorden richtte de jonge Franse componist Olivier Messiaen (1908-1992) zich in de jaren 1930 tot zijn collega’s. Zijn dringende oproep voor een levendige en werkzame religieuze muziek kwam niet uit de lucht gevallen. Nadat de Eerste Wereldoorlog het oude Europa krachtig door elkaar had geschud, deed zich op vele domeinen de nood aan vernieuwing voelen. Zo ook op het vlak van geloofsbeleving, liturgie en religieuze muziek. De versuikerde devotiemuziek die op het eind van de 19de eeuw nog vele harten kon beroeren, voldeed niet langer. Als geen ander voelde Messiaen messcherp de nood aan een eigentijdse klassieke muziektaal. “Zing voor de Heer een nieuw lied”, zo klinkt het ook in Psalm 98.

Is het geen tijd om Messiaens oproep opnieuw te lanceren aan de jonge Vlaamse componisten van nu? Het lijkt me alleszins een gunstige tijd. Nog nooit was muziek zo beschikbaar en alomtegenwoordig als nu. Ze maakt integraal deel uit van de leefomgeving van vooral jongere mensen. Bovendien speelt ze een niet te onderschatten rol in het uitbouwen van hun identiteit. Je bent wat je beluistert, zo lijkt het wel. En niet te vergeten: muziek is een van de krachtigste mood managers die ik ken. Ook op dit vlak zijn jonge mensen ervaringsdeskundigen. Ze voelen feilloos aan welk soort muziek wat ordening en rust kan brengen in hun innerlijk leven. Met groot vertrouwen geven ze zich over aan de transformerende kracht van muziek.

Ligt hier geen gigantisch braakliggend terrein voor een soort muziekpastoraal? Het is toch denkbaar dat componisten met kennis van zaken en met een hart voor de Kerk de genoemde kwaliteiten van de muziek inzetten ten goede. Dat in hun muziek de lokroep van de schoonheid klinkt, op een manier die het mensenhart raakt en verwondt. Dat er bij luisteraars iets innerlijk in beweging wordt gezet, waardoor ze op zoek gaan. Dat oor en hart gaandeweg gevoelig worden gemaakt voor Jezus, Gods schoonheid in persoon. Dat er vertrouwdheid groeit met Hem, al luisterend.

Misschien lijkt dit wel hoog gegrepen. Misschien verwacht ik teveel van de muziek. Kan zijn. Ik zie alleen dat ze altijd al een stevige bondgenoot is geweest van de Kerk, in en buiten de liturgie. De dialoog tussen het Evangelie en de cultuur is dan ook geen bijkomstigheid, maar vloeit voort uit een innerlijke noodzaak van het Evangelie. Dat wil immers cultuur worden, incarneren, zichtbaar en hoorbaar worden. Net die beweging is in de 20ste eeuw onder druk komen te staan. Daarmee dreigt de artistieke stem in de geloofsverkondiging in verdrukking te komen. Daarom: jonge componisten, als je het geloof hebt, treed dan naar voor, en geef onze tijd de schoonheid waar ze zo naar hunkert!

Jan Christiaens

[gepubliceerd in Tertio]

 

Spreekt Jezus Nederlands?

‘Toen de Heer neerdaalde om de stad en de toren die de mensen bouwden, in ogenschouw te nemen, zei Hij: “Nu zijn ze één volk en spreken zij allen dezelfde taal. (…) Laten wij neerdalen en verwarring brengen in hun taal, zodat de een niet meer verstaat wat de ander zegt.”’  (eerste lezing op de vooravond van Pinksteren)

Vorig jaar, Pinksteren. We zitten in de mis. We, dat is ons gezin. Met drie kinderen – lagere school en een kleuter. Niet zo rustig dus, zoals gewoonlijk. Bij het Onzevader moet de jongste zo nodig iets vragen. Ik probeer hem vriendelijk tot stilte te manen. Maar het is hem schijnbaar te belangrijk. Ik neig me voorover. Hij: ‘Papa, kan Jezus ons horen?’ Het is al een tijdje een thema. Die vreemde gewoonte van papa om te bidden. En wie hoort dat dan? ‘Dat denk ik wel, jongen.’ – Een kleine stilte, zijn ene oog lichtjes toegeknepen. En dan verwonderd: ‘Spreekt Jezus onze taal?’ Ook die taal is een thema. Het buurjongentje is half Franstalig. Er is dus ‘zijn’ taal en ‘onze’ taal. Maar ik moet toegeven dat de vraag me perplex deed staan. Daar had ik nog nooit zo over nagedacht. ‘Neen, Jezus spreekt volgens mij geen Nederlands.’ En toch spreken wij Hem vrolijk aan in onze moedertaal.

Ik was ondertussen op zoek naar een antwoord. Zeggen dat Jezus Aramees sprak, was niet echt een hulp. Dat dreef de paradox eerder op de spits. Ik denk dat ik stuntelend iets zei over de taal van ons hart en dat Jezus wel verstaat wat wij bedoelen, omdat hij ons hart begrijpt.

Het lijkt ons vanzelfsprekend dat God in alle talen lof kan gezongen worden. Maar als ik er met de ogen van mijn zoontje naar keek, viel me pas goed op hoe vreemd het is hier Nederlands te horen, daar dan weer te psalmodiëren in het Frans, en er in de liederen zelfs Latijn, Engels, Spaans en Zuid-Afrikaans klinkt. En dat is dan allemaal voor God – die ons hart begrijpt.

Volgens mij is het voor de jongen een mysterie gebleven. ‘Daarom noemt men die stad Babel want de Heer heeft daar verwarring gebracht in de taal van alle mensen.’

Ik was daarentegen in de bovenkamer met de leerlingen, waar de Geest zich in tongen verdeelde. Nooit heb ik zo goed de wonderlijke toegang begrepen die Pinksteren ons tot God verleent. Dat er een Geest is om de taalbarrière te overwinnen. Dat er één taal is, één communicatiemiddel tussen God en mens. Dat de Geest ons God doet verstaan, en ons de woorden geeft om tot God te spreken, met het zacht murmelen van de Geest in al onze menswoorden, zoals de tweede lezing zei: ‘Wij weten niet eens hoe wij behoren te bidden, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. En Hij die de harten doorgrondt, weet waar de Geest op zint, want Hij pleit voor de heiligen naar Gods bedoeling.’ De Geest helpt ons uit de Babylonische verwarring. Diep ontroerd heb ik het Veni Creator Spiritus meegezongen: ‘O taal waarin wij God verstaan, wij heffen onze lofzang aan.’

Pieter Bob Van Petegem

[gepubliceerd in Tertio]

Van Passie naar Pasen

Het valt me elk jaar weer op hoe het concertleven na Pasen plots stilvalt. En dat terwijl je in de veertigdagentijd bij wijze van spreken bijna struikelt over de concerten met passiemuziek. Hoeveel koren wagen zich in de Goede Week niet aan een uitvoering van een van Bachs passies? Blijkbaar beantwoordt het ruime aanbod aan een nood van vele mensen om zich het lijdensverhaal jaarlijks opnieuw toe te eigenen. Maar na Pasen wordt het merkwaardig stil: nergens zijn er paas- of pinksterconcerten te vinden. Nochtans zou je net in de paastijd – die overigens tien dagen langer duurt dan de veertigdagentijd – feestelijke muziek verwachten.

Dit merkwaardige verschijnsel heeft ongetwijfeld te maken met de aangrijpende intensiteit van de meeste passiemuziek. Denk maar aan de Mattheüspassie van Bach: je raakt er nooit op uitgekeken. De lijdende Jezus, van God en iedereen verlaten, oefent een vreemde aantrekkingskracht uit op de luisteraar. Zo te zien moet elke generatie opnieuw in het reine komen met wat er toen op Golgotha is gebeurd. Met de verrezen en verheerlijkte Jezus weten we echter niet zo goed raad, althans wanneer we afgaan op het culturele aanbod in de paastijd. De delicate, maar wezenlijke band die passie met Pasen verbindt, lijkt in onze muzikale cultuur wel doorgeknipt.

Net daarom springt het des te meer in het oog en het oor wanneer een muzikale passie wél uitzicht biedt op de verrijzenis. Dat is het geval in de Lucaspassie van de Schotse componist James MacMillan (°1959). Op Goede Vrijdag werd het werk nog uitgevoerd op het Brusselse Klarafestival, onder leiding van de componist zelf. De toegankelijke, waarachtige muziek staat helemaal ten dienste van de expressieve voordracht van de tekst, hoofdstuk 22 en 23 uit het Lucasevangelie. Opmerkelijk is dat MacMillan het lijdensverhaal laat volgen door een Postlude die de luisteraar meeneemt voorbij de kruisdood.

Hoe volkomen anders klinkt de muzikale taal in dat naspel! De verhitte dramatiek van het lijdensverhaal heeft hier plaatsgemaakt voor een majesteitelijke sereniteit. Daarin komt de verrezen Jezus aan het woord: “Waarom zijt ge ontsteld en waarom komt er twijfel op in uw hart?” (Lc 24,28) De vraag lijkt wel gesteld aan de luisteraar, die net het relaas van Jezus’ veroordeling en kruisdood over zich heeft laten komen. De dode Jezus werd ten slotte in het graf gelegd, en daarmee lijkt alles voorbij. Amen en uit. Net op dat punt knoopt de Postlude aan. Voorzichtig maar geloofwaardig maakt MacMillan een nieuw perspectief hoorbaar. Dat doet hij via harmonische omzwervingen, waarmee hij de luisteraar probeert mee te lokken van passie naar Pasen. Niet dwingend, maar vriendelijk wenkend. Zoals de Verrezen Heer zelf.

Jan Christiaens

[gepubliceerd in Tertio]